Toen Jacoba van Beieren (1401 – 1436) vijf jaar oud was, huwelijkten haar trotse ouders, Margaretha van Bourgondië en Willem VI van Holland, haar uit aan de tweede zoon van de Franse koning. Ook de bruidegom was toen net kleuter af, maar dat was geen enkel bezwaar. Een strategische verbintenis kon niet vroeg genoeg gesloten worden.
De twee groeiden samen op en toen ze de leeftijd bereikten waarop het huwelijk geconsummeerd kon worden (oftewel, waarop ze geslachtsgemeenschap konden hebben met elkaar, op hun veertiende jaar) was de verbintenis een feit.
Toen de Franse kroonprins overleed was Jacoba’s echtgenoot de eerstvolgende in de erfopvolging, waardoor zij koningin van Frankrijk zou worden.
Wat een vooruitzicht!
Jacoba was gravin van Holland (= het huidige Noord- en Zuid-Holland), Zeeland en Henegouwen. Die graafschappen stonden eigenlijk onder het beheer van de Duitse keizer, de keizer van het Heilige Roomse Rijk, zoals men het noemde. Dit was een zekere Sigismund (die eerst koning en later keizer was) die als opperleenheer de officiële zeggenschap over opvolgingskwesties had. Hij was dus helemaal niet zo blij met die toenadering van Jacoba tot zijn concurrent Frankrijk.
Verder was er ook nog Jacoba’s oom, Jan van Beieren, die zijn oog had laten vallen op de erfenis van die graafschappen.
En toen gebeurde het.
DODEN EN HUWELIJKEN
Jacoba’s vader, Willem VI, stierf in 1417, en ook haar Franse man stierf. Meteen hierna begon het getouwtrek om de erfenis. Jacoba was toen zestien jaar oud en kon deze ingewikkelde situatie niet ‘handelen’. Haar moeder, die Jacoba in alles streng adviseerde, vond al snel een partner voor haar dochter: neef Jan van Brabant.
De man zou een rampzalige keuze blijken te zijn en hij was bovendien ook nog eens zeer makkelijk te beïnvloeden door tegenstanders.
Ze trouwden voor de wereld en voor de kerk. Dit laatste huwelijk werd voltrokken in de Haagse Hofkapel, op het Binnenhof.
De hele gang van zaken was echter nogal incestueus, aangezien ze elkaars volle neef en nicht waren. Dus dienden ze een verzoek in bij de paus voor dispensatie, oftewel voor opheffing van deze zonde. Al snel kwam het Ja-woord van de paus.
Onderhand had Jan van Beieren ook niet stil gezeten en die deed zijn beklag bij koning Sigismund. Hij voerde aan dat hijzelf de wettige erfgenaam van de overleden Willem VI was. Sigismund stuurde hierop snel een delegatie naar de paus om het huwelijk van Jacoba met Jan van Brabant onwettig te verklaren. Dit had meteen effect, want de paus trok zijn instemming in. Maar de nieuwe bul kwam te laat; het huwelijk was al voltrokken.
Dit alles speelde zich af midden in de Hoekse en Kabeljauwse twisten die een gevecht om de macht waren. Jan van Beieren streed in het kamp van de Kabeljauwen en Jacoba bij de Hoeken. Na veel strijd en onder druk zetting van slapjanus Jan van Brabant verpandde die de economisch rijke graafschappen Holland en Zeeland aan Jan van Beieren. Jacoba hield knarsetandend alleen Henegouwen nog over.
Hoe nu verder?
Ze moest allereerst van haar volstrekt incapabele man af, dus richtte ze haar blik op de overkant van de zee: Engeland. Hier woonde Humphrey, de hertog van Gloucester en broer van de Engelse koning. Die leek Jacoba de meest geschikte huwelijkskandidaat en aangezien de paus haar vorige huwelijk niet had goedgekeurd, maakte ze van dit aanvankelijke nadeel haar voordeel.
Het is een wonderlijk ‘toeval’ dat juist in diezelfde tijd Jan van Beieren plotseling overleed. Hij was vergiftigd: de hoeken van zijn gebedenboek waren ingesmeerd met gif.
Wie zouden dat nou gedaan hebben?
FILIPS VAN BOURGONDIË
Toen betrad een nieuwe en zeer machtige deelnemer het speelterrein: Filips de Goede, de nieuwe hertog van Bourgondië. Hij was eveneens een oom van Jacoba en meende ook aanspraak te moeten maken op haar erfdeel. Verder had hij geld nodig, niet in de laatste plaats omdat hij van die enorme en dure feesten gaf aan zijn uitbundige hof. Bovendien had hij, voor zover bekend, dertig minnaressen en zesentwintig bastaardkinderen die onderhouden moesten worden. Het geld dat hij nodig had, was vooral te vinden in het in opkomst zijnde Holland.
Opziend tegen de overmacht van Filips gooide Humprey de handdoek in de ring en ging terug naar Engeland. Ondertussen werd Jacoba in verzekerde bewaring gesteld door Filips in Gent en had Jan van Brabant opnieuw het bestuur van Holland en Zeeland overgedragen, ditmaal aan Filips, die hiermee erfgenaam van Jacoba werd.
Filips liet Jacoba overbrengen naar Lille, ver weg van haar Hoekse machtsbasis. Jacoba verzon echter een list, trok mannenkleren aan, liep ongestoord de stad uit en ging naar Schoonhoven waar ze juichend werd ontvangen door haar Hoekse aanhang.
Dit was natuurlijk een enorme vernedering voor Filips!
Hierna probeerde Humphrey Jacoba nog bij te staan met zijn leger, maar hij leed een smadelijke nederlaag tegens Filips en vertrok definitief terug naar Engeland.
De burgeroorlog, de strijd om de macht, duurde hierna drie jaar. De oorlogvoering kostte bakken met geld en hele dorpen werden met de grond gelijk gemaakt.
Jacoba raakte financieel aan de grond, verloor haar politieke steun en werd gedwongen haar meerdere te erkennen in Filips.
DE ZOEN VAN DELFT
Op 3 juli 1428 werden de nieuwe machtsverhoudingen vastgelegd in wat is gaan heten:
de Zoen van Delft.
Jacoba droeg de macht over aan Filips, maar mocht haar titel van gravin behouden.
Ofschoon ik het nog nergens heb kunnen lezen, speelden deze onderhandelingen van de Zoen van Delft zich volgens mij af in ’s Heerens Herberg. Deze lag in het gebied wat nu de Boterbrug heet, de overkluizing tussen de Oude Delft en de Wijnhaven. Dit gebied was grafelijk bezit. In ‘s Heerens Herberg werden altijd de graven van Holland ontvangen als ze voor een inspectie in de stad kwamen. Vandaar mijn veronderstelling.
Na deze onderhandelingen was Jacoba’s rol uitgespeeld en ze was zo goed als blut. In 1433 huwde ze voor de vierde keer, ditmaal met de rijke Zeeuwse edelman Frank van Borssele.
In Delft liggen tegenwoordig de Jacoba van Beierenlaan en de Frank van Borselenstraat (en niet Frank van Borsselestraat) vlak naast elkaar achter het station.
Met Frank heeft Jacoba een goed en welvarend leven gehad. Vermoedelijk was er zelfs sprake van liefde.
In 1436 stierf Jacoba aan tuberculose, destijds tering genoemd. Ze werd slechts 35 jaar oud. Ze ligt begraven in de Haagse Hofkapel op het Binnenhof, als enige gravin tussen de vele mannelijke graven. Bij haar begrafenis stond het Binnenhof vol mensen.
BELEG VAN DELFT
De opa van Jacoba was Albrecht van Beieren. Tijdens de felle Hoekse en Kabeljauwse twisten, die het land verscheurden en 150 jaar duurden, belegerde deze Albrecht in 1359 een maand lang Delft. Delft was een bolwerk van Kabeljauwen, maar het stadsbestuur koos toch de Hoekse kant waardoor het tegenover de Kabeljauwse Albrecht van Beieren kwam te staan.
Na de overgave van Delft werden de stadsmuren afgebroken en gebruikt om de muren rond het Haagse Binnenhof te versterken. Duizend Delftse mannen en vijfhonderd vrouwen moesten na de bestraffing op blote voeten door Den Haag lopen en knielen voor Albrecht van Beieren en hem vergiffenis vragen.