31. Dorpsverhaal 10. Rein Rougoor

Op de vaste kolf- en biljartavond van S.O.S. (Sajet is Onze Sport) en ‘Over de Helft’ in de oude Prins Maurits, was regelmatig volop aanwezig de postbode, barbier, kerkorganist en damesliefhebber Rein Rougoor. Rein was in de oorlog te werk gesteld geweest in Dresden, Duitsland, maar als je hem daarnaar vroeg bracht hij het gespeksonderwerp meteen op iets anders. Hij is na Dresden zijn hele leven nooit meer in Duitsland geweest en werd postbode in Nieuwe Niedorp. Als kapper zei hij:
‘Een proper hoofd en gladde kin, daar steekt der mannen schoonheid in.’
Daarnaast schreef hij een boek over het dorp: ‘Zo zag en zie ik Nieuwe Niedorp’ en schreef hij stukjes in het dorpskrantje of ‘ut Nierupper Sufferdje’, zoals het blaadje algemeen genoemd werd.
Rein was in het café nogal geliefd bij de dames vanwege zijn kunstzinnige toneelspel met hoogwaardige poëtische volzinnen dat tot steeds grotere hoogten steeg naarmate het aantal dames om hem heen toenam. Ordinair werd hij nooit en hij bleef het spel op speels en hoog niveau spelen.
Op een avond zat er een nogal schaars geklede vrouw in zijn buurt, waarbij Rein duidelijk zicht had op het nóg schaarser bedekte bovenstuk van de dame in kwestie. Rein sprak: ‘Geachte mevrouw, U vleit mij zeer met uw gewaagde ontboezeming, edoch, nog meer dan naar uw ontboezeming verlang ik naar uw innerlijke schoonheid. Laten we dáár op drinken.’
Om haar vervolgens een overheerlijke tropische cocktail aan te bevelen waarvan hij zeker wist dat die in het dorpscafé in geen velden of wegen te bekennen en in geen eeuwen te koop zou zijn.
Rein noemde zichzelf in dergelijk gezelschap niet Rein Rougoor, maar Koosje Akeligheid. En het was deze naam die als opmaat diende tot het hogere toneelspel dat Rein op zo’n avond ten beste gaf voor het vrouwelijk schoon in het dorpscafé. Nog hóger dan Cicero, hóger dan Dresden en hóger dan zijn postbodebestaan. Op de soosavond nam Rein een andere naam aan, sprak een andere taal, ontmoette schone dames en ontsteeg het rauwe bestaan met een andere identiteit, ander gedrag en poëtische volzinnen. Als een witte duif die over een zwarte omheining vloog.

Vaak bleef een vast groepje leden van ‘de Soos’ na de wekelijkse biljart- en kolfcompetitie nazitten. Zo ook Rein. Hij had het dan bijzonder naar zijn zin en kreeg, op Paul Breddels-achtige wijze, vaak de slappe lach. Een jongen.
Op zo’n late avond na een biljartwedstrijd zaten de Sociëteitsleden weer eens gezellig bij elkaar aan de stamtafel. Mijn vader had de wedstrijden die avond gewonnen en meerdere tegenstanders verslagen. Hij was zeer tevreden met zichzelf en in die volle voldaanheid pakte hij een hoed van de kapstok en begon die stukje bij beetje uit elkaar te scheuren. Bij ieder stukje dat hij van de hoed scheurde en met een grote zwierige zwaai het café in wierp, riep hij de naam van een verslagen tegenstander. Hij trok dan hard aan die hoed, scheurde er een stuk vilt vanaf en riep:
‘Hup! Dáár gaat de verliezende Piet Schuurman!’
En dáár vloog met een grote boog het kapotte stuk hoed onder de naam Piet Schuurman door de lucht. Eigenlijk riep hij dan niet ‘Piet Schuurman’, maar ‘Skiet Puurman.’ Mijn vader sprak namelijk Westfries en draaide namen door elkaar.
Daar zat dan mijn vader aan de stamtafel met een kapotte hoed in zijn hand en vliegende stukken vilt door het café. Totdat alle verslagen tegenstanders, ook die van vorige week en ook nog van ver dáárvoor, en van tegenstanders die nooit ook maar ergens hadden bestaan, totdat ze allemaal meerdere keren waren genoemd en er van de hoed vrijwel niets meer over was en de vloer van het café bezaaid lag met verscheurde stukjes hoed.
Rein Rougoor hád het niet meer en kreeg tranen in zijn ogen en de slappe lach. Hij huilde bijna en nam zijn zakdoek erbij om het hoge tij onder zijn wenkbrauwen te keren. En helder schalde zijn schaterende lach door de oude Prins Maurits als er weer een kapot stuk hoed door het café vloog. De avond kón niet meer stuk. Wát een plezier!
Tot helaas het onvermijdelijke moment van sluitingstijd kwam, iedereen zijn spullen pakte en aanstalten maakte om naar huis te gaan. En toen, ja toen, kwam ook het onvermijdelijke moment dat Rein zich langzaam begon te realiseren dat hij de enige man op de Soos was die een hoed droeg. Niemand anders. Deze belangrijke realisatie leidde daarna tot een onvermijdelijke en nóg belangrijkere conclusie bij Rein:
de verscheurde hoed was zíjn hoed! Geweest.
Inderdaad, hij was er geweest. De hoed. De hoed van Rein Rougoor.
Want zó staat het verhaal in het dorp bekend. Als ‘de hoed van Rein Rougoor’.

Plaats een reactie