In het dorp waren er nóg grotere bedrijven dan de kolenboer, zoals het garage- en touringcarbedrijf van Hil Peereboom, en de aannemerij van Thijs Sepers.
Mijn vader was in 1975 tijdelijk bij Thijs in dienst als opperman. Ze bouwden het nieuwe dorpshuis ‘de Prins Maurits’, waar mijn ouders beheerder van zouden worden en dan ook van hun woning in de Westerweg 10 naar het beheerderspand aan de Laagzijde 50 tegenover het dorpshuis zouden gaan verhuizen.
Mooie naam, opperman. Stenen sjouwen en kruiwagens rijden als aanvoer voor de bouwvakkers. Buurvrouw Bets Harberts zei bewonderend: ‘Gôh, die Jan Stammes werkt er nog maar een week en is nu al opperman.’
Later, op vakantie, kwam de familie Harberts bij de Duitse grens. Bets zei verwonderd:
‘Zoll? Wat een rare naam voor een plaats.’
Dit vertelde Piet Harberts, de doelman met de rode sweater die in Het Eerste had gekeept, dus nog steeds heilig was. Piet vertelde, behalve over onze buurvrouw en zijn vrouw Bets, ook wel eens iets over zichzelf. Dat was dan een ander soort verhaal.
Zoals:
Eén keer per week kwam de eierenboer langs de deur. Men bestelde dan tien, twintig of dertig eieren. De eierenboer had op een briefje de berekeningen al staan:
10 eieren x 15 cent = F1,50; 20 eieren x 15 cent = F3,-; 30 eieren x 15 cent = F4,50
Als je dus die eieren bestelde kon je direct betalen, want de eierenboer wist meteen het bedrag. Makkelijk zat. Toen kwam hij bij Piet en Piet hield niet van makkelijk.
Piet zei: ‘Doe mij maar negenentwintig eieren.’
De eierenboer keek verbaasd. ‘Nôh, geen dertig?’
‘Nee’, zei Piet, ‘ik heb er nog één.’