Ome Cor was getrouwd met tante Tini, maar hij was vaker jarig dan zij.
Meerdere keren per jaar.
Ome Cor vierde het leven wat frequenter dan de gemiddelde oom. Hiermee onderscheidde hij zich duidelijk van hen. Misschien zag hij er daarom ook wel ouder uit dan zij. Ik had het idee dat het gewoon niet ophield met die verjaardagen van Ome Cor. Iedere keer als mijn ouders op het punt stonden weg te gaan, gingen ze naar Cor Kooij, want die was jarig. Lente, zomer, herfst. Altijd maar jarig.
Ik kende zijn geheim toen nog niet.
Het geheim van Cor Kooij.
We konden ons niet voorstellen dat Ome Cor ook jong geweest was. Misschien was hij oud geboren. Dat veranderde toen mijn vader het volgende vertelde: ‘Cor Kooij durfde vroeger van de kanaalbrug te duiken.’
Voor de duidelijkheid: van de kanaalbrug duiken, dan wás je iemand, als je dat durfde. Springen kon nog, van de kanaalbrug, maar duiken was alleen voor de aller dappersten. Zoals Cor Kooij.
Dit was al een goed begin. Ome Cor steeg in onze achting.
Mijn vader ging verder: ‘Als Cor Kooij van de kanaalbrug dook en door de lucht zweefde, dan gilde hij heel hard en heel lang: ‘Hááááá!’ Tot hij vlak boven het water was en dan riep hij heel snel: ‘Kut!’ Meteen daarna plonsde hij in het water en bleef lang onder.’
Ademloos luisterden we, mijn broer en ik. Vooral die heilige drie-eenheid:
‘Háááá!’ ‘Kut!’ ‘Plons!’.
Dát was het summum.
Een weergaloze prestatie van Ome Cor. Niet alleen qua duiken, maar vooral qua levenslust.
Ook hadden we bewondering voor dat lange onder water blijven. Ik zag dat voor me: iedereen lachen om de grap van Ome Cor en Ome Cor was weg. Onder water. Alsof hij zijn publiek de tijd gunde om te schateren. Ik zag ook het moment voor me als Ome Cor dan weer boven water kwam: grijnzend. Sindsdien leek hij wel jonger. In mijn ogen dan.
Ome Cor deed overigens wel meer aparte uitspraken.
In het dorp speelde het fameuze NAO, het Niedorper Amusements Orkest.
Na lang aandringen ging Ome Cor daar ook een keer kijken.
En luisteren.
Na afloop zei Ome Cor niet zoveel en ging snel naar huis. Hij had alleen een andere naam bedacht voor het orkest. Geen NAO.
Hoe hij het voor elkaar kreeg weet ik niet, maar op de één of andere manier werd na dit concert de naam NAO steeds minder gebezigd in het dorp. En als men dan weer eens een concert had bezocht, dan zei men niet meer: ‘ik was gister nog bij het NAO.’ Men zei: ‘ik was gister nog bij Piep en Kras.’ En dan keek men zó serieus, dat het leek alsof de naam van het orkest daadwerkelijk zo luidde.
Jaren later tijdens een Floralia ving ik in de Prins Maurits eens een gesprek op over muziek. En over het NAO. Het viel me op, na zoveel jaren, dat men nog steeds heel serieus de naam Piep en Kras bezigde. Totdat iemand vroeg: ‘Wat een rare naam eigenlijk voor een orkest, Piep en Kras. Was dat écht de naam?’
Dat vonden de anderen bij nader inzien toch ook eigenlijk wel. Rare naam. Maar het antwoord op de vraag wat de échte naam nu was, moesten ze schuldig blijven.
Dus bleef het Piep en Kras. Door Ome Cor.
Toen Ome Cor écht oud werd, en al eeuwen niet meer van de kanaalbrug dook of naar Piep en Kras ging, droeg hij versleten klompen met gaten aan de onderkant.Toen iemand hem eens vroeg of hij geen nieuwe klompen moest kopen, zei Ome Cor:
‘Dut ken nag wel voor un drouge dag.’