37. Dorpsverhaal 16. Ome Jo, tante Gré en de eerste televisie

Op een dag liepen mijn broer en ik naar de overkant van de Sliksteeg, die tegenwoordig Westerweg heet. We liepen in zondagse kleren, erger bestond niet, en met een schaaltje met een peer, een appel en een banaan voor ome Jo en tante Gré Burger.
Tante Gré was lief en bescheiden en ome Jo werkte op de kaasfabriek. Hij was stug en hield van gezelligheid. Dat kan samen gaan. Hij vond dat iedereen gelijk was en dat niemand zich beter moest voordoen dan hij was. Doe maar gewoon.
Hij had één oog en altijd als we langsliepen zagen we hem de krant lezen. Op een decimeter afstand van zijn ogen. Ik dacht altijd dat als ome Jo twee ogen had gehad dat hij de krant dan twee decimeter van zich af kon houden. Dat gunde ik ome Jo, want ik gunde hem een lichter leven. Vrolijker.
Dat fruitschaaltje was voor ome Jo en tante Gré, want die hadden hadden iets wat wij thuis nog niet hadden en waar we naar mochten kijken: een televisietoestel! Met Ivanhoe!
Ridders, zwaarden, legers en vechten. Groter genot bestond er niet. Dan maar zondagse kleren, zolang er maar bloed vloeide en er slechte mensen waren die verloren. Op de televisie.
Het spannendst was natuurlijk als die slechteriken eerst dreigden te winnen en alle hoop verloren leek. Soms begonnen dan fictie en realiteit in mijn kinderhoofd door elkaar te lopen. Ik werd dan een beetje bang en dacht: ‘Nu hebben de makers het zelf niet meer in de hand.’ Linke soep, want wat dan? Dat zullen mijn makers misschien ook wel eens gedacht hebben: linke soep, wat nu?
Maar daar dacht ik toen niet aan. Ik dacht aan Ivanhoe die alles zou redden. En dat lukte altijd weer. Daar kun je verder mee. Met Ivanhoe en met die wijze optimistische makers van de TV-serie.
De eerste bij wie we televisie keken was dokter de Boer. We keken naar ‘Open het dorp’ met Mies Bouwman. Urenlang, want die uitzending duurde een etmaal.
Later keken we ook bij Couvert, de speelgoedhandelaar, naar het meest echte wat er was: Rawhide! Stoere cowboys en rennend vee. Een ‘stampede’ heet zoiets: een kudde voortrazende koeien en stieren die in toom gehouden moesten worden door vechtende cowboys met lasso’s op snelle paarden. Een hels kabaal.
We zaten als zesjarigen rood van opwinding te kijken naar dat razende geweld van ontembare actie. En als we keken wílden we niet die cowboys zijn. Nee, we wáren ze. Of desnoods dat vee. In ieder geval dat geweld, want dáár ging het om. Geweld!
De dochter van Couvert, die eerder geweldloos dan gewelddadig was, probeerde ons te kalmeren, wat niemand wilde, en sprak troostend: ‘Kijk eens jongens. Koetje boe.’
Ik voelde toen al ergens dat ze eenzaam was en dat ze zichzelf wilde kalmeren, want in haar brandde een vuur. Een snikheet vuur waar ze bang voor was en naar verlangde.
En nu besef ik: ze had een cowboy nodig, met een lasso en rennende stieren en een kampvuur. Snikheet. Maar ze maakte alles kleiner en van alles maakte ze speelgoed. Dus riep ze: ‘Koetje boe!’ De dochter van Couvert.
En wij beleefden onze dromen bij Couvert, dokter de Boer en bij ome Jo en tante Gré, voor de televisie, op de grond, duim in de mond, kijken naar bloedige gevechten en daarna weer eten bij moeder. Een veilige wereld vol actie en geweld.
Kom daar nog maar eens om.

Toen ik vele jaren later, op de leeftijd die ome Jo toen had, in de Prins Maurits op een zwoele zaterdagavond een feest organiseerde waarin iedereen schitterend verkleed was in jaren zestig en zeventig tenue, kwam ome Jo in zijn maandagochtendkleding binnen stappen. Niet verkleed. Soberder kón niet.
Terwijl iedereen uitgelaten, vrolijk en ‘roaring sixties-seventies’ was en ome Jo mij in flitsend wit John Travolta pak swingend zag dansen, liep hij ernstig naar me toe, zei ‘Leuk feessie Dick’, bestelde een koffie en ging langs de kant staan kijken. 
Ik wist dat hij het waardeerde dat hij was uitgenodigd. Zo deed ome Jo dat. 
Hij genoot op zíjn manier. 
Later op de avond liep hij door de zaal tussen de feestend uitgedoste menigte door. Hij droeg zijn maandagochtendkostuum zó natuurlijk en zó superieur, dat het even leek alsof iedereen normale kleren aan had en ome Jo de enige was die verkleed was. 
Even leek ome Jo hoger dan de anderen. 
Even maar. 
Bijna stiekem.

Een gedachte over “37. Dorpsverhaal 16. Ome Jo, tante Gré en de eerste televisie

  1. Geweldig weer vooral dezeze had een cowboy nodig, met een lasso en rennende stieren en een kampvuur. Snikheet. Maar ze maakte alles kleiner en van alles maakte ze speelgoed. Dus riep ze: ‘Koetje boe!Geweldig: Verzonden vanaf mijn Galaxy

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie