Als ik vroeger kwaad werd, riep mijn vader bezwerend:
‘Rust, kalmte en kruidenbitter.’
Die zin had invloed, want vooral dat woord kruidenbitter vond ik grappig.
Daardoor verdween die woede.
Toen ik jong was, was mijn vader ouder en tevens fietsenmaker. Hij werkte veel en alles moest altijd ‘zo hard mogelijk’. Soms bracht een klant een fiets met een doorgebogen voorvork. Mijn vader draaide dan stuur en wiel om en reed de fiets keihard tegen de muur. Voorvork weer recht, zeven gulden vijftig. Zowel de klant als mijn vader waren dan tevreden. Win-win situatie.
Mijn vader had tijdens het fietsen maken afwisselend drie soorten stemmingen: zwijgzaam, fluitend of kwaad. Vooral bij priegelwerk wilde die laatste stemming nog wel eens overheersen.
Laatst was ik thuis een band aan het plakken. Het zat niet mee. Ik ergerde me steeds meer aan die rotfiets en schold op het materiaal dat weigerde mee te werken. Ik zette het tegenwerkende rijwiel uiteindelijk aan de kant en ging kwaad en vermoeid van mijn eigen ergernis op de grond zitten. Toen stond mijn vader plotseling naast me en vroeg:
‘Wat ben je aan het doen jongen?’
Ik zei: ‘Ik erger me aan die rotfiets. Wat moet ik doen?’
Hij antwoordde vriendelijk: ‘Rust, kalmte en kruidenbitter.’
En verdween.
Dat werkte.
Net als vroeger, toen hij nog leefde, werd ik kalm, pakte de fiets en plakte verder.
Fluitend.
Ja, vaders snappen de woede van hun zonen, vooral bij priegelwerk en banden plakken. Welke zoon kan zonder hem?