‘De zieke vrouw’. Zo noemden we haar.
Ze lag op een bed voor een groot raam en was altijd ziek, de hele schooltijd lang.
We zwaaiden iedere dag naar haar als we vanuit school, de OLS, de Openbare Lagere School, naar huis toe liepen en zij zwaaide terug.
We dachten er niet over na, maar we wisten, voelden dat ze het fijn vond dat we naar haar zwaaiden. Het maakte haar blij, dus deden we het.
Verderop kwamen we Gert Wit tegen, de grijze man met de wandelstok.
‘Ouwe Skimmel’ was zijn bijnaam. (in het Westfries wordt een sch een sk).
Eén keer noemde ik hem zo, midden op straat, ‘Skimmel’.
Schimmel werd boos en zwaaide met zijn stok, maar hij was ook weer niet zo héél erg boos. Er zat iets gelatens in zijn boosheid. Hij zei toen nog wel:
‘Nôh mujoôn, weerom moet je dat nou zegge? En van wie hèju dat leerd?’
En door zijn blik, zijn vragen en door zijn stem, kreeg ik eigenlijk al spijt. Ergens had ik gehoopt dat Schimmel heel kwaad zou worden, maar dat werd hij niet, eerder een beetje triest. En dat had ik Schimmel niet aan willen doen. Ik was niet hard genoeg.
‘Dat hadden de buren van de Lange Jammer beter gedaan’, dacht ik.
Op straat zagen we iedereen, zoals:
Tjaad Druif, de lachende postbode;
Freek Moeijes, die dikke sigaren rookte en, zittend aan een hoek van het biljart, de strakke leiding voerde over het vlotbruggen;
Jan Barten, de koster op klompen die de klokken van de kerktoren ging luiden voor een geboorte, trouwerij, begrafenis of kerkdienst, of om de tijd aan te geven;
Buur Jaan uit de Sliksteeg in haar invalidenkar, die ze voortbewoog door de lange handvatten van het stuur op en neer te bewegen;
Boeren die hun kudden schapen door het dorp dirigeerden op weg naar het weiland of de boerderij;
Jaap Kool, die, toen men ontdekte dat hij behalve gebittenmaker ook nog privé-detective was, voortaan op zijn Amerikaans Jack Cool werd genoemd.
Verder zagen we ventende bakkers, slagers, melkboeren en kruideniers; tractoren met stront en prut aan de banden en volgeladen hooiwagens; en meesters en juffen van school, waarvan we nooit wisten hoe we ze nou moesten groeten op straat.
We vonden dat eigenlijk maar raar, die meesters en juffen op straat. We konden ons eigenlijk niet voorstellen dat ze buiten het klaslokaal ook nog een leven hadden. Eigenlijk gingen we ervan uit dat als ze de school verlieten, dat ze dan zouden oplossen in het niets, om de volgende dag weer tevoorschijn te komen in school.
Een keer liep ik langs het huis van Meester Oosterhof in de Zaagmolenstraat. Zijn vrouw was bezig de ramen van de slaapkamer te lappen en ik peinsde over de mogelijkheid dat Meester Oosterhof in een bed zou liggen. Hier stopten mijn hersenen en besloten dat meesters en juffen misschien wel naar bed gaan, maar met als enig doel om te verdwijnen en daarna weer voor de klas te gaan staan.
Gerustgesteld liep ik verder.
Als Meester Oosterhof vanuit het niets weer voor de klas verscheen, vertelde hij mooie verhalen en gaf ons altijd toestemming om in de pauze te voetballen, ook bij regen;
Juffrouw Overzee, van de eerste klas, was aardig, maar scheurde je wangen stuk (Au!), terwijl je alleen maar iets geweldigs had gedaan wat zij niet zo geweldig vond;
Meester van Soest, de Hoofdmeester, las prachtig voor uit ‘Rob en de stroper van
Tjod Idi’, keek streng door zijn brillenglazen en uitte tegen drukke leerlingen zijn vaste vermaning:
‘Als er één radertje in het horloge niet goed loopt,
dan staat het hele horloge stil.’
Dat laatste probeerde ik met het horloge van mijn vader.
Het klopte!
Ik was trots op mijn Soestiaanse ontdekking en begreep niet dat mijn vader me kwaad de straat op stuurde.
Datzelfde had hij gedaan nadat ik zijn nieuwe volkswagenbus van het pad het gras op had gereden, helemaal tegen de heg.
‘Dat kan niet iedereen,’ dacht ik trots.
Ook toen stuurde hij me begriploos weg, na me over de knie te hebben gelegd en me zeven klappen op mijn billen te hebben gegeven.
Dat getal zeven kwam van Guurt Breed, de buurvrouw van de Lange Jammer.
Die had ze gezien, die klappen.
Én geteld.