Nóg een apart figuur:
Jaap Langedijk, de kluizenaar met de lange baard, de boomgaard en de moestuin.
Hij woonde net buiten de bebouwde kom bij het kanaal aan het eind van de Westerweg.
We wisten niets van hem. We vonden het alleen erg dat hij geen vrouw had. Later, veel later, begrepen we pas dat zoiets niet erg was, maar Jaap wist dat al lang al. Hij had zijn boomgaard en moestuin en welke man met vrouw kan dat zeggen?
Wat bijna niemand wist was dat Jaap iedere week een paar kisten appelen naar de gevangenen in Alkmaar bracht. Kluizenaar?
We wisten ook niet dat Jaap Langedijk meerdere boerderijen had met veel landgoed. Hij verpachtte dat en had genoeg, ook aan zijn moestuin, en aan zichzelf.
Af en toe verschafte hij onderdak aan andere mensen en bij de buren Arts droeg hij op verjaardagen wel eens enige gedichten van Frederik van Eeden voor.
Hij ging in de Eerste Wereldoorlog naar een Esperantocongres in Brussel. Hij geloofde in de eenheid van mensen door landsgrenzen heen. Hij ontmoette daar Arpad Moldovan die Hongarije was ontvlucht. Arpad raakte onder de indruk van de verhalen over de Kolonie van Nieuwe Niedorp en van dominee Schermerhorn en hij ging mee naar Nieuwe Niedorp.
Toen we langzamerhand meer te weten kwamen, groeide het besef dat ons beeld van Jaap Langedijk nooit had geklopt. Nog steeds niet. En hoe langer het geleden is, hoe nieuwsgieriger ik word.
Wie was hij?
Wat deed hij?
Niet in zijn uiterlijke leven. Dat zag iedereen.
Nee, in zijn innerlijke leven. Waar hij geen kluizenaar was.
En waar de hele wereld welkom was.
De Hongaar Arpad Moldovan woonde, na zijn ontmoeting met Jaap in Parijs, in de Kolonie, een communistisch-anarchistische gemeenschap die leefde en werkte op basis van gelijkheid van rechten, inkomsten en goederen. Het lag aan het eind van de Westerweg, richting ’t Veld.
Arpad werd later fotograaf in Nieuwe Niedorp aan de dorpsstraat 1. Hij maakte een mooie foto op glasplaat van Schermerhorn, ‘de rode dominee’. Deze glasplaat bestaat nog steeds en is in bezit van zijn opvolger, Tjibbe de Vries.
Mijn broer Niko hield op 11 november 2018, de datum van het einde van WOI, een legendarische bijeenkomst in een stampvolle Fenixkerk, op de plek waar Schermerhorn zijn vlammende preken tegen het kapitalisme, het militarisme en het alcoholisme had afgevuurd. Schermerhorn kwam die dag, gespeeld door een acteur, speciaal terug om zijn indringende levensboodschap vanaf de kansel nog eenmaal te verkondigen. Ook op dat moment bleek weer hoezeer deze bijzondere en internationaal bekende dominee vele mensen en meerdere generaties heeft beïnvloed.
Een uniek persoon was ook Toôn de Soep die in werkelijkheid Anton de Wit heettte. Hij woonde eerst in het huisje in de Westerweg waar ík later werd geboren toen híj weg was. Hij rommelde wat in shag en smokkelwaar en zaken waar niet iedereen het fijne van wist en was nogal onbehouwen. Ook naar zijn vrouw, die geëvacueerd was in de oorlog vanuit Den Helder en in Nieuwe Niedorp terecht gekomen was. En bij Toôn. Volgens haar buurvrouw was ze een echt oorlogsslachtoffer. Niet zozeer door de evacuatie uit Den Helder, maar door het samenwonen met Toôn.
Als hij niet in de buurt was noemden ze hem ook wel Antoine de la Bouillon. Een jongen, die duidelijk goed was opgevoed, groette hem eens beleefd: ‘Dag meneer de Soep’ en kreeg meteen een klap voor zijn kop. Ik dacht toen dat Toôn de Soep geen meneer genoemd wilde worden. Dat kon ik begrijpen. Shag. Smokkelwaar. Toôn was Toôn. Geen meneer.
Je moet iedereen in zijn waarde laten.
Toôn stond ’s winters altijd met koek-en-zopie op ijsbaan ‘de Rijd’. Hij was groot, had een harde stem en langs de lijn van het voetbalveld was hij de enige die met voldoende autoriteit kon schreeuwen naar de op achterstand staande voetballers van Het Eerste:
‘Kom op zwarte leeuwen!’
Als Toôn de Soep dat riep dan wist ik dat alles goed zou komen en dat die achterstand van ons Heilige Eerste niet lang zou duren. Toôn de Soep was er. Als die er was wonnen we altijd. Ook als we 5-0 achterstonden met de rust, want Toôn wist precies wanneer hij zijn aanmoedigingen over het veld moest schreeuwen: in het beruchte ‘Nierupper kwartiertje’, het eerste kwartier na de rust.
Een trouwe fan van Het Eerste legde mij eens, blakend van zelfvertrouwen, uit hoe dit kwartiertje werkte:
‘Het is een geheim, maar als we achterstaan, dan wachten we gewoon op de rust.
Dan drinken we thee, de trainer roept iets en we rusten uit. Daarna begint de tweede helft én het Nierupper kwartiertje. En dan verslaan we de tegenstander.’
Hierna keek hij het veld in met een logische blik. Twijfelloos.
Het wachten was alleen nog op Toôn de Soep.