45. Dorpsverhaal 23. Dorpsfiguren (4)

Later werden de dorpsfiguren van een iets ander kaliber. Het voornaamste kenmerk daarvan werd niet alleen dat ze zo bijzonder waren, maar vooral tot stevige alcoholconsumptie in staat waren.
Zo hadden we de dorstige Kees Harberts. Mijn vader had voor alle klanten van zijn café bijnamen en als Kees het café dreigde binnen te stappen en zijn klompen voor de deur zette, zei mijn vader van achter de bar: ‘Oh jé, daar komt van Rampenburg’, en met gezwinde spoed verdween hij in de keuken.
Toen Kees voor de zoveelste keer dronken tegen een barkruk viel, waardoor de andere krukken als dominostenen omkegelden, riep mijn vader enthousiast:
‘Een record Kees. Het zijn er dit keer elf!’
En de stamgasten applaudisseerden als theaterbezoekers, want het was voorwaar geen geringe prestatie. Elf!
Ja, het is een levenskunst, kastelein zijn, en je moet de moed erin houden, anders val je geheid.
Op een dag ontstond er een discussie tussen mijzelf en Jan Pep, de touringcar chauffeur, die als reisleider ook geïnteresseerd was in geschiedenis. Het punt van discussie was of de Renaissance, de periode van herwaardering van de klassieke Griekse waarden uit de Oudheid, begonnen was in de 14e of in de 15e eeuw. We kwamen er niet uit en goede raad was duur. Maar vanuit zijn ooghoek zag Jan Pep Kees Harberts een barkruk verder zitten. Er gloorde hoop! Jan wendde zich verwachtingsvol naar Kees en vroeg:
‘Kees, weet jij wanneer de Renaissance begonnen is?’
Kees antwoordde:
‘Deer hew ik hillegaar gien taid voor. Ik heb die tuin van Jan Stammes en Milo Smak ok nag en morruge moet ik mun aigen land nog omploege ok.’
Einde discussie.

En er was Jan Bruin, de gemeentewerker, die iedereen regelmatig paling aanbood, overal tegelpadjes aanlegde en oude graven opruimde. Hij zei: ‘Ik ben de baas van het kerkhof. Ik heb veel mensen onder me.’
Men noemde hem Jan Zilvervos. Hij groeide op in het Waarland en daar waren al zoveel Bruinen dat men in de war raakte. Dus gaven ze Jan, met zijn blonde haren, een bijnaam, Jan Zilver. Aangezien hij de slimste was van het Waarland, wat niet heel moeilijk was, voegde men er ‘vos’ aan toe: Jan Zilvervos.
Jan had één groot talent: met lepels slaan. Daarmee bedoelde hij het tussen hand en knie met de achterkant van de lepels tegen elkaar aanslaan als ritmische begeleiding van de muziek. Hij deed dat vaak ongevraagd ook in andere café’s, zoals ’t Centrum in Winkel of in de Roode Eenhoorn. Toen hij dat in de Prins Maurits voor de achthonderdvierendertigste keer gedaan had en na de voorstelling de lepels van het café teruggaf, zei hij teleurgesteld: ‘Die lepels van ‘t Centrum benne beter.’
Vakman.

Op een avond werd Jan door iemand in een auto thuis gebracht. Jan stapte uit en liep op zijn klompen met een blad vol eieren in de hand richting zijn huis. Aangezien Jan echter flink aangeschoten was, hadden de eieren het zwaar te verduren. Bij iedere stap die hij deed vielen er enkele tere eieren van het blad. Eer hij zijn huis had bereikt lag de straat bezaait met kapotte eieren.
Het plan om die nacht gebakken eieren te gaan eten is vermoedelijk niet doorgegaan.

In Winkel kende men Ab de Graaf, de man met de hazenlip. Ab stapte eens dronken achterin zijn auto, terwijl hij dacht dat hij vóórin instapte. Toen hij eenmaal na lang gestuntel op de achterbank terecht was gekomen en de auto wilde gaan starten, riep hij verbaasd uit: ‘Nôh, ze hewwe me stuur stoôlen.’

Joop Koorn, de machinist, visboer, kastelein en sporthalbeheerder, kon er weinig aan doen dat hij gek was op vrouwen. Echter, toen een knappe dame hem eens ten dans vroeg, zei Joop tot haar verbazing: ‘Nee, laat ik dat maar niet doen.’
‘Maar waarom dan niet?’ , vroeg ze enigszins gekwetst.
Joop antwoordde: ‘Als ik dans, wil ik meteen neuken.’

Plaats een reactie