Eind jaren vijftig woonden aan de andere kant van het dunne wandje oude mensen met namen van lang geleden en arme tijden.
Tijden van werk maar gewoon door, in het zweet uwes aanschijns, zes dagen in de week, voor zes gulden in de week, €2,75, zestig uur.
Zonder CAO.
We noemden ze buurman en buurvrouw. Het waren Mak en Trijn de Boer.
Uit die arme tijd van de eerste helft van de 20e eeuw hadden ze ook bepaalde normen en waarden meegenomen naar de na-oorlogse periode.
Toen buurvrouw op tachtigjarige leeftijd in bejaardentehuis ‘de Vijverhof’ zat, kwamen mijn moeder en buurvrouw nog regelmatig bij elkaar ‘om un koppie’.
Ze hielpen elkaar dan met de afwas of met ‘piepers skille’.
Op een dag vroeg buurvrouw: ‘Ik wil graag naar Grietje in het bejaardentehuis in Schagen. Wil je me brengen met de auto?’
‘Natuurlijk’, zei mijn moeder.
Buurvrouw vroeg verder: ‘Wil je dan ook een paar kadetjes voor me smeren en meenemen? En ik wil ook graag een bos bloemen uit je tuin meenemen voor Grietje.’
Mijn moeder deed dat allemaal voor Trijn.
Buren.
Ook als ze niet meer naast je wonen.
Na een week kwam mijn moeder weer op de koffie bij Trijn.
Buurvrouw zei: ‘Ik zal je even betalen. Hoeveel geld krijg je van me?’
‘Nou’, dat hoeft niet hoor,’ zei mijn moeder.
‘Nee’, zei buurvrouw stellig, ‘dat wil ik niet. Ik betaal je netjes. Ik zal het zelf wel uitrekenen. Even kijken.
Nou ja, die auto van jou rijdt vanzelf, dus dat kost niks.
En die bloemen uit je tuin staan er toch al, dus die kosten ook niks.
En wat kosten de broodjes?’
‘Twintig cent’, zei mijn moeder.
‘Nou, dan heb je hier een kwartje, want er zat nog wat op ook.
Dan ben ik van mijn schulden af.’