Toen mijn moeder eens met haar pasgeboren zoon Niko (1955) in de kamer zat bij de buren, was buurman de Boer net bezig in datzelfde vertrek zijn voeten te wassen in een kom met warm water. Plotseling moest mijn broer poepen en hopsakee pakte buurvrouw het kleine kind snel beet en droeg hem richting waterkom. Buurman de voeten eruit en Niko de ontlasting erin. Klaar.
Buurman zette daarna zijn voeten er kalm weer in. In het warme water tussen de drollen. Om ze te wassen. Zijn voeten.
Bij buurvrouw gingen de bepaalde waarden en normen uit de straatarme voor-oorlogse tijd gewoon door.
In het dubbele huisje met het dunne wandje kon je vaak letterlijk horen wat de buren zeiden. Toen mijn ouders, Jan en Gerie, op een avond in bed lagen hoorden ze Mak tegen Trijn zeggen: ‘De kolen zijn op.’
Trijn zei kalm:
‘Oh, ik haal morgen wel wat bij Gerie uit de schuur, die heeft nog een hele zak staan.’
Toen Mak overleed en op het kerkhof terecht kwam, maakten we voor het eerst in ons leven mee dat een vrouw haar overleden man op het kerkhof ging bezoeken zónder bloemen mee te nemen en dat ze mét bloemen van het kerkhof terugkwam.
Na onze verhuizing in 1958 verzorgde mijn moeder zorgvuldig de mooie nieuwe tuin.
Op een dag kwam buurvrouw weer eens op bezoek, ‘om un bakkie’. Koffie, dat wilde Trijn altijd drinken, maar dan wel mét een vel erop, ‘un vluus’. Het vel ontstond als je de koffie met melk van de vorige dag opwarmde.
Ze vroeg aan mijn moeder: ‘Gerie, wat heb je een mooie narcissen staan in de tuin. Mag ik er een paar meenemen?’
‘Nou, liever niet’, zei mijn moeder, ‘ze staan nu net zo mooi en zóveel heb ik er niet.’
Buurvrouw knikte en dronk haar koffie met vel.
Na ‘koppiestoid’ nam buurvrouw afscheid en liep de kamer uit richting keuken.
Mijn moeder bleef zitten en dacht even later: wat raar, wat blijft Trijn lang in de keuken staan.
Vanuit de keuken liep buurvrouw vervolgens naar de bijkeuken waar de nieuwe wasmachine stond die volop in bedrijf was. Een apparaat dat buurvrouw niet kende. Ze bleef staan, bukte zich, zwaaide naar de wasmachine en riep: ‘Zo jôh, draai je lekker.’
Hierna liep buurvrouw de deur uit, over het pad, langs de tuin. Mijn moeder keek haar na, vanachter het raam. Buurvrouw stopte, pakte de schaar van mijn moeder die ze uit de keukenlade had gepakt, knipte enige narcissen los, stak ze in haar mandje en liep weg naar huis.
Toen mijn moeder een paar dagen later bij Trijn op bezoek was, stonden ze daar te bloeien: mijn moeders eigen narcissen. Trijn zei eerlijk: ‘Oh Gerie, ik had een schaar van je geleend. Hier heb je hem weer terug. Ik was het bijna vergeten.’
‘Bedankt’, stamelde mijn moeder.
En zo zaten ze daar. Aan de koffie met vel. In een kamertje met een dun wandje, met narcissen en een schaar. En mijn moeder die niet van conflicten hield en een buurvrouw die niet wist wat ze waren en die vroeger alleen maar armoede had gekend. Die twee vrouwen van twee generaties.
Ze waren buren, weet je.