Als jongens kenden we in het dorp veel geheimzinnige plekken. Die waren er om je te verschuilen, in te spelen of dingen te doen die ouders niet mochten weten.
Onze favoriete plek was: ‘Ut huissie van van der Kooi’.
Het was een ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ of, zoals mijn vader zei, een ‘onverklaarbaar bewoonde woning’. Een oud klompenmakershuisje met de werktuigen er nog in. Je kon er eindeloos spelen, fantaseren, vechten en van alles uitvinden.
Zo wilden we hooi malen tot gebakken aardappelen. We fantaseerden gewoon dat het kon, dus lukte het. Bijna.
Op straat voetbalden we dag en nacht. Tegen de blinde muur van het oude huisje heb ik jarenlang honderdduizenden ballen getrapt. Ik zou tenslotte de beste voetballer van de wereld gaan worden en daar moest iets voor gedaan worden. Compleet verslaafd was ik. Ik ging er zelfs mee naar bed. Met de bal.
Van der Kooi, dat was ‘de boze man’. Toen we nog héél jong waren, vroeg mijn vader ons wel eens: ‘Zal ik de boze man bellen?’ Dan sidderden we van opwinding en spanning. Mijn broer met zijn paardje van doek in zijn hand en ik met mijn wollen beer. Trillend voor de boze man.
Mijn vader draaide dan een drie-cijferig telefoonnummer en gaf ons meteen de hoorn.
We hoorden een stem. Die stem zei ….‘Ja?’
Héél zwaar en héél boos.
Dan gilden we en grepen huiverend naar paard en beer. Mijn vader legde de hoorn er weer op en lachte. Híj was niet bang voor de boze man.
Mijn vader durfde álles.
Dachten wij.
De boze man was een Groninger, sterk en groot. Hij was ooit met zijn familie per wals vanuit Groningen met een woonwagen erachteraan, als een trage boze Pipo de Clown zonder schmink, over de Afsluitdijk naar Nieuwe Niedorp gereden. Wij dachten toen dat alle Groningers boze mensen waren. Wij kenden er maar één en dat vonden we al eng genoeg.
De zoons en de vrouw van de boze man waren vriendelijk. Logische reactie.
De boze man was de vader van Roel van der Kooi, onze favoriete elftal begeleider in de junioren, en van Sint en Klaas. Ze waren allemaal groot en sterk, maar mijn vader, die alles wist, zei dat Klaas de allersterkste was. Zijn ultieme argument was:
‘Klaas van der Kooi is zó sterk, hij rúíkt helemaal sterk.’
Alles was enorm aan Klaas: armen, benen, hoofd, overall, laarzen, reuk.
Als hij zich langzaam over straat voortbewoog dacht ik altijd dat hij expres vertraagd liep. Alsof al die massieve spieren tijd nodig hadden om in dat lichaam mee te kunnen; om zich naar de bewegingen van dat lichaam te richten. Eén stap te snel en je verliest ze, die trage spieren.
De van der Kooien waren imméns groot en hun huisje imméns klein.
Ik vroeg me altijd af hoe al die enorme van der Kooien in dat piepkleine huisje pasten. Ik hoopte maar dat er ook een tuin zou zijn achter het huis of dat er ramen open konden. Ruimte.
Sint, de broer van Roel en Klaas, was ook groot en sterk en rook ook.
Naar alcohol. Veel.
Het stamcafé van Sint was één van de oudste café’s van Nederland, de Roode Eenhoorn. Dat was van Harm Hees, de Drentse kastelein mét bijbehorende Drentse eigenschappen.
Sint van der Kooi bleef dagelijks aan de bar zitten bij Harm, ook als Harm weg ging om te eten. Daar zat Sint, in het café: alleen, stil, drinkend. Hij staarde dan altijd zwijgend naar de vloer. De grote Sint ging niet naar zijn kleine huisje. Daar zat zijn vader, de boze man. Ik begreep Sint wel.
Sint moest een keer naar de dokter, omdat hij last had van zijn lever.
Dokter van Os vroeg: ‘Hoeveel drinkt u dan per week? Wel tien glazen bier of zo?
Sint antwoordde: Ja, misschien. Of zeventig.’
Op een dag hoorde de grote Klaas in het kleine huis een enorme dreun uit een slaapkamer komen. Het hele van der Kooi-huisje trilde van de klap en de schok.
Klaas liep naar de plek waar de beving had plaatsgevonden en daar lag zijn broer. Alleen. Zwijgend. Gevloerd.
Een passender dood voor Sint konden we ons niet voorstellen.