Na ’t Paadje kom je ‘op Terdiek’, een buurtschap van enkele boerderijen en huizen. Mijn vader, zijn vier oudere zussen en zijn jongere broer Kees zijn er allemaal geboren. Het is tegenwoordig een Bed & Breakfast.
Ome Kees had vroeger astma, zo hoorde ik, en had het met die astma tóch maar gebracht tot de B-kernploeg van de schaatsers, vlak onder de top. Dat vond ik knap van ome Kees. Hij schaatste, samen met Klaas Koorn van de Langereis, helemaal in Noorwegen.
Zijn zoon Huub had vroeger ook astma en die is later algemeen directeur van de KNSB geworden. Ook schaatsen. Je zou het iemand bijna gunnen om astma te krijgen. Succesvolle aandoening.
Op Terdiek bestierde Jo de Weerd zijn kruidenierszaak annex café.
Later woonde daar Hark Bood, de oude hippie met het lange haar.
Anarchist. Ongrijpbare man.
Hark had na de Duitse inval in 1940 gezworen dat hij zijn haar zou laten groeien net zolang totdat de Duitsers weer zouden vertrekken.
Aldus geschiedde.
In 1945.
Zijn vrouw liep mank als gevolg van een vergroeide voet, een ‘horrelvoet’. Iedereen kende die medische term, door vrouw Bood. Toen ze een keer in het zwembad zwom, dacht mijn zus Marga: ‘Ik snap wel waarom ze zwemt. Nu ziet tenminste niemand haar voet.’
Tot vrouw Bood met haar hoofd onder water dook, op haar handen ging staan en alleen haar benen boven water uitstaken.
Ze had niets te verbergen.
Jo de Weerd verhuisde intussen van Terdiek naar het huis vóór het voetbalveld.
We zeiden trouwens niet voetbalveld. We zeiden: foebulland, oftewel voetballand. Eerder voetbalde men op weilanden. Dus voetballand. Later maakte men aparte velden. Dus voetbalveld. Logische redenering.
Ome Jo had een enorme reputatie in het dorp. Hij was voetbalkenner, niet alleen omdat hij van mij had gezegd ‘Kijk, jij kan het’ (wat ik een onomstotelijk feit vond), maar ook om andere redenen. Bovendien was hij elftalbegeleider. Én … hij had in ‘Het Eerste’ gespeeld! Dus was hij sowieso heilig. ‘Hors catégorie’, zeggen ze in de Tour de France.
Het Eerste, dat is het beste elftal met de beste voetballers van het dorp. Daarbuiten wordt het moeilijker, zoals met alle Eersten van alle dorpen.
Mijn favoriete speler was Karel Koorn, de aanvoerder en achterste man. Achterste man, dat vond ik een mooier woord dan ausputzer of stoppersspil.
Karel was misschien niet beter dan Jan Jes, de dribbelaar, maar hij was nuttiger. Jan Jes pingelde soms net zolang tot de tegenstander hem vloerde. Dan werd hij kwaad en begon te schelden op zijn medespelers. Dat vond ik niet goed. Karel pakte de bal af en speelde hem meteen door. Dat vond ik beter.
Karel was teamplayer en aanvoerder. Jan Jes was individualist en pingelaar. Jan voelde zich onbegrepen, vandaar die boosheid. Misschien had hij wel gelijk. Het is niet makkelijk als je meer ziet dan een ander en beter bent. Ik dacht altijd dat als je eenmaal de beste was, dat het leven dan makkelijker zou worden, maar bij Jan Jes was dat niet zo. Daar dacht ik wel over na. Jan maakte me realistischer.
Als Karel er stond kwam er geen man langs en geen bal door en daarom vond ik dat woord zo goed: achterste man. Na de achterste man komt er géén voetballer meer en zéker geen tegenstander. Die houd je tegen en dat deed Karel.
Na Karel kwam alleen nog de keeper, de allerachterste man. In mijn jeugd waren dat eerst Piet Harberts, de keeper met de rode sweater, en daarna Willem Woudt die wij beiden beschouwden als onoverwinnelijke tijgers zónder een spoor van medelijden voor zwakkelingen.
Piet ging bij belangrijke wedstrijden bidden in het klooster voor de overwinning en daarna kauwde hij heel hard op kauwgom met een blik en hardnekkigheid alsof hij zijn tegenstanders vermorzelde tussen zijn tanden. Kijk, dat soort meedogenloze mannelijke voorbeelden hebben jongens nodig. Jongens die later de beste van de wereld zouden gaan worden. Hierover bestond geen twijfel.
Willem Woudt stond op doel met de onoverwinnelijke houding van de Siciliaanse Don Corleone die vlak voor de wedstrijd de tegenstander met een gewelddadige liquidatie had bedreigd, oftewel ‘He had made them an offer they couldn’t refuse.’
Op het moment dat spelers van de tegenpartij het strafschopgebied betraden, begonnen ze te trillen van de zenuwen, zagen in hun hoofden een afgehakt bloedend paardenhoofd in hun bed liggen en daalden smekend op hun knieën waardoor ze ter plekke veranderden in radeloze slachtoffers alleen al bij de aanblik van onze Tijgerkeeper. Willem hoefde niet eens te brullen.
En terwijl tegenstanders her en der huilend van wanhoop op de grond kronkelden, pakte de zelfverzekerde doelman kalm de bal en poeierde hem snoeihard en kaarsrecht naar voren om de volgende vlammende aanval te openen. Géén genade.
Dit gaf ons als jonge toeschouwers geruststelling. Wij voelden ons sterker door Willem en kracht heb je nodig als twaalfjarige toekomstige beste van de wereld.
Na Piet en Willem kwam een man met nóg minder medelijden voor de tegenstanders.
Dat was de legendarische Cees Helder, die later in het Noord-Hollands elftal keepte. Kennelijk was er dus nóg een categorie buiten de ‘hors catégorie’. Grotere wereld.
Maar tegen die tijd was ik al ouder en realistischer geworden. Door Jan Jes.
Karel was de absolute top, dus vroeg ik hem op straat een handtekening.
Hij deed toen een beetje moeilijk. Aarzelend, verlegen bijna. Zo had ik Karel nog nooit gezien. Ik wist niet dat als je de beste was, dat je dan ook verlegen kon zijn. Ik dacht dat de besten alles durfden met alles. Karel zette zijn handtekening en liep meteen door, alsof hij een tegenstander achterna liep. Zó snel.
Voor de tuin van kruidenier Jo de Weerd stond het bordje met de opstellingen. Dat was altijd spannend, die opstellingen. Als de wereld vergaat is dat niet zo leuk en Hiroshima was ook geen pretje, maar niet opgesteld staan is veel erger. Dan vergaat je eigen wereld en dat betekent levend sterven. In het weekend.
Dat begrepen de opstellingmakers niet zo erg, die jongenswereld. De wereld van de beste zijn, altijd willen spelen en nooit moe. Maar iedereen kwam aan de beurt en soms stond je er zomaar buiten en mocht je niet spelen. Daar werd je wél moe van. En razend.
Haat gaat heel diep bij jongens die niet mogen voetballen. Zo’n Al Qaida en IS moeten daar ook door ontstaan zijn. Terrorisme is logisch. Allemaal jongens die niet mogen spelen. Dan maar bommen gooien in plaats van doelpunten zetten.
Ik snap dat wel.
Mijn broer Niko werd niet opgesteld, omdat hij zijn mond niet wilde houden. Dat mocht niet van de machtige heerser De Aansteller. Zo noemden we de Opsteller.
Mijn broer wilde bommen gooien. Ik begreep dat meteen, als jonge extremist. Ik hielp mijn broer met kussens. Ik hield het kussen vast en mijn broer beukte er op los.
Op de Opsteller. De Aansteller.
Toen ik dertien jaar was, was de voetbalvereniging vijftig. Groot feest.
Ik kreeg als aanvoerder van de kampioenen, aspiranten C, de eer bloemen te overhandigen aan de inmiddels doodzieke ome Jo, die zoveel had betekend voor ‘de voetbal’.
Enkele weken daarna stierf hij.
Veel later in mijn leven begon ik te beseffen hoe mooi en hoe belangrijk dat moment was: dertien jaar jong en bloemen overhandigen aan de beroemde Jo de Weerd.
En terwijl ik deze zin schrijf is het alsof ik ome Jo die bloemen nu pas echt geef.
Misschien nog nét op tijd.
Mooi verhaal!Verzonden vanaf mijn Galaxy
LikeGeliked door 1 persoon