Tegenover school woonde Cees Stammis, de groenteboer. Stammis met ‘is’, geen ‘es’, dus geen familie, wat iedereen altijd vroeg. ‘Ben je familie van Cees Stammis?’
Nee.
Sommige dingen herhalen zich eindeloos in een dorp. Net als Simon Wijn, de bakker, die mijn broer Niko altijd Dick noemde en mij altijd Niko. Altijd. Nooit niet. En hij bleef het doen ook toen hij al lang geen bakker meer was. Eeuwig in de war is ook een vorm van duidelijkheid.
Cees Stammis had een paard en wagen om zijn producten in het dorp te verkopen.
Op een nacht schilderden enige guiten, belhamels en schavuiten uit het dorp met grote witte letters KUT op de harige huid van het paard. Cees Stammis werd de volgende ochtend wakker en ontdekte de witte wandaad nog net op tijd. Slim als hij was pakte hij zijn grote schapenscheer tondeuse en schoor precies op het formaat en de dikte van de letters de witte verf weg. Met als gevolg dat dat enorme woord KUT er de komende drie maanden op bleef staan. In vol ornaat op de huid van het paard, zonder verf en precies volgens de lijnen van de verf.
Inderdaad. Cees Stammis was slim, hij hield niet van verf en had een tondeuse.
De vrouw van Cees Stammis was altijd ongeduldig als ze haar smalle deurraampje van de winkel met tegenzin voor ons opendeed. Ze wist dat het keuzeproces van die kinderen eindeloos ging duren en dat de netto opbrengsten ongeveer nihil zouden zijn. Dus had ze geen zin. Wij wel.
Dat was het grote conflict: Zíj niet, wíj wél. In snoep. En om daarover heel lang na te denken en te praten. Dat was deel van het genot voor ons en deel van het drama voor de vrouw van Cees Stammis. We zeiden trouwens nooit vrouw Stammis, maar altijd: de vrouw van Cees Stammis.
Ze hadden een zoon, Joop, die ook geen familie van mij was. Iedereen kende Joop, want iedereen had wel eens bij hem in de klas gezeten.
Meester Schutte, onze meester van de tweede klas, las altijd de cijfers op en het aantal fouten. Hij begon dan bij de besten en daalde langzaam maar zeker af naar de laagste cijfers en naar Joop. Maar plotseling zei de meester dit keer al heel vroeg in het rijtje: ‘Joop Stammis, drie fout’.
Terwijl Meester Schutte dit zei keek hij stomverbaasd de klas in. Naar Joop. Alsof ook de meester het getal voor het eerst van zijn leven zag. Drie fout. Joop bloosde.
Paul Breddels, die altijd goede cijfers haalde en voor één keertje naast Joop had gezeten, bloosde mee. Sociale daad van Paul voor een staaf drop van Joop, bij zijn moeder, de vrouw van Cees Stammis. Maar daar wist Meester Schutte niets van af. Dáár was Joop te slim voor.
Jaren later werd Joop nóg slimmer. Zelfs zó gewiekst dat hij zijn motorrijbewijs haalde, een motor kocht en verkering nam. Verleden gewist. Na een paar weken was de verkering alweer uit.
‘Waarom?’ vroegen we aan Joop.
‘Ze ging niet mee in de bocht,’ antwoordde Joop.