56. Dorpsverhaal 34. Gerard van der Stok, nummer 100, het Michelin mannetje en Henkie Dekker

Op een paar honderd meter afstand van de school en van Meester Schutte was de sigarenwinkel van de lange manke Gerard van der Stok. Daar rook het altijd lekker, ook voor niet-rokende kinderen.
In de andere tabakszaak in het dorp had ook zeer tijdelijk een eigenaar gezeten, maar na een week bleek dat die allergisch was voor tabak. Gerard had het tegenovergestelde.
Het winkeltje van Gerard was kleiner dan Gerard zelf en hij paste er eigenlijk niet helemaal in. Iedere keer als hij vanuit de zijkamer via de gang het winkeltje binnenstapte leek er wel geen plaats meer voor de tabak. Alleen maar voor Gerard met zijn houten been. Als hij dat been optrok voor de volgende stap, hees hij zichzelf heel traag omhoog en leek hij nóg reusachtiger te worden dan daarvoor.
Dan keek hij op ons neer, vanuit de hoogte. In zijn piepkleine winkel met het lage plafond.
Gerard was kaal en ik dacht altijd dat er een verband moest bestaan tussen zijn haarloze schedel, het lage plafond en zijn houten been. Het leek wel bij elkaar te passen. Eén groot noodlot.
Het verhaal ging dat ze Gerard eens dronken naar huis brachten, hem in de kamer op de bank legden, weer naar buiten liepen en toen zijn houten been uit de auto haalden. Ze riepen: ‘Hier komt je poot, Gerard!’ En hup! gooiden ze het houten been van Gerard via het piepkleine sigarenwinkeltje richting de gang naar binnen. Om er weer aan te schroeven. Sociale daad.

GOD EN MEVROUW KOOPS
Honderd meter voorbij Gerard van der Stok, aan de andere kant van de voorsloot, stond de woning met huisnummer honderd. De bewoonster daarvan heette mevrouw Koops, maar dat wisten we niet. Onbelangrijk. We noemden haar: ‘Nummer Honderd’. Lekker getal en mooi rond.
Ook als mevrouw Koops boodschappen deed en we zagen haar lopen, dan riepen we tegen elkaar: ‘Kijk, daar heb je Nummer Honderd!’ Dat nummer maakte ons blij.
Alsof alles klopte. En dat wilden we: dat alles klopte.
Ik had iets met dat getal honderd. Ik dacht toen zeker te weten dat alle mensen honderd zouden worden en dan pas dood zouden gaan. Iedereen even oud, honderd. Klaar.
Ik koppelde die rechtvaardigheid dan altijd aan het lachende en hollende Michelin- mannetje op het uithangbord bij de garage van Peereboom. Dat was God. Rechtvaardig en lachend. En Nummer Honderd. Dat was één geheel.
Heel logisch als je honderd procent vertrouwt.
Later is Nummer Honderd ingestort. Het huisje. Ook het hollende Michelin-mannetje verdween, bij de bus van Peereboom. Daarna geloofde ik niet echt meer in God.
Hij werd onzichtbaar en mijn vader zei dat wat je niet zag, dat dat ook niet bestond.
Ik wist toen nog niet dat liefde ook onzichtbaar was en wél bestond.
Ook zonder het zichtbare Michelin-mannetje.

HENKIE DEKKER
Tegenover Nummer Honderd woonde Henkie Dekker met zijn moeder Sofietje.
Vanaf de stoep keek je naar beneden rechtstreeks in zijn schoenmakerij. Hij had altijd een ‘snotbriebel’ onder zijn neus hangen en toen hij sopraansax speelde in de fanfare kwatte hij meer in het instrument dan dat hij erin blies.
Tijdens de oliecrisis in de jaren zeventig vertelde Henkie dat de machines in de fabrieken ook wel eens een spuitje olie nodig hadden en dat dat wel een probleem zou gaan worden met die crisis. Voor die machines dus.
Henkie bracht ook telegrammen rond op de fiets. Bij het afgeven bleef hij altijd nog even bij de deur staan wachten. Hij was nieuwsgierig naar de inhoud.
Deze verhalen vertelden we graag, want Henkie Dekker bleef Henkie, dus ach …

Tót hij zichzelf in het kanaal verdronk.

‘Henkie droeg twee zware jassen,’ zo zei men ontzet, ‘om er zeker van te zijn dat hij zonk.’ Anderen meenden te weten dat de verdrinkingsdood de mooiste dood was, omdat je dan prachtige dingen zag en muziek hoorde. Maar ik vond niks prachtig.
En het ergste vond ik dat het kon bestaan dat je een leven lang voor het hele dorp had klaargestaan en voor iedereen schoenen had gerepareerd en dat niemand, helemaal niemand, wist wie je werkelijk was. Alsof de dood al was ingetreden tijdens zijn leven. En alsof het hele dorp daar aan mee had gedaan.
Heel diep van binnen voelde ik een onbeschrijflijke wanhoop. Alsof ik zelf even Henkie Dekker was die zich in het kanaal wilde verdrinken. En niemand die het zag.
Zelfs niet het Michelin-mannetje van Peereboom.

Plaats een reactie