57. Dorpsverhaal 35. De Schulpweg, bejaardentehuis Nijerop, de slager en de bakker

Cor en Tini Kooij woonden net buiten het dorp op boerderij ‘Koetenburg’, 
niet ver van de Schulpweg, het smalle weggetje aan het eind van het dorp dat heden ten dage een chique villawijk is met permanente prijswinnaars tijdens de jaarlijkse Floralia. 
In de Schulpweg woonden allerlei mensen in eenzelfde soort ‘Lange Jammer’ als bij ons in de Westerweg. In deze huizenrij woonden de families Groes, Jellema, Oostra en Oord. 
Vader Jan Oord had een glazen oog. Op een dag zat hij bij Fer Keulen voor een verzekering. De dochter van Fer, Annemieke, die nogal spontaan uit de hoek kon en kan komen, komt binnen, ziet het oog en roept: ‘Nôh, wat is die man skêel!’
Er gebeurde wel meer bij de familie Keulen. Zo droeg Fer zijn dochter op een dag op om haar wratten te gaan verkopen aan Arie Oud.
Tegenover Oord en naast de Indonesische familie Caro, die er heel interessant uitzagen vonden wij, daar woonden twee oude dames, Alie en Hielke, en één van die twee noemde mijn vader ‘de Gelukspop’. 
Voorbij de Gelukspop woonden de rijkere mensen, zo hadden we besloten. Sommigen woonden in grotere huizen, zoals postbode en pupillentrainer Dirk Boeve met zijn ouders. 
Tegenover Dirk Boeve stond ‘De Maalderij’ waar hard sjouwende werkers als Sint van der Kooi, Kees van Eeten en later ook Bertus Bos bezig waren vanaf de lopende band grote meelzakken de vrachtwagens in te laden en er altijd spierwit bemeeld uitzagen. 
Aan het einde van de Schulpweg woonde de geheelonthoudende loodgieter Gert de Vries met zijn vrouw Aaf op het mooiste plekje van het dorp: aan de Rijd.
Tegenover de Vries stond de laatste woning van het dorp naast het bordje ‘Einde bebouwde kom’. Dat huis heette: ‘de Punt’. Hier woonde toen de familie Heemsbergen en later de gezinnen van de Amsterdamse voetbaltrainer Eric Brouwer en van de timmerende en voetballende Kees Sepers met zijn vrouw Tini de Geus en kinderen.

Als je terugliep uit buitenwijk de Schulpweg en je liep vanaf het Kerkplein,
‘ut Kerrukkeplain’, even door richting de speeltuin dan kwam je bij slager Maarten Dekker, later Gert Langedijk, nog later Peter Bleeker. Nu zit er een Pizzeria-boer.
Voor die laatste twee slagers brachten mijn broer Niko en ik op de zaterdagen het vlees rond in de slagersmand voorop de slagersfiets en dan kwamen we onze vriend Paul Breddels tegen met de bakkerskar van Simon Wijn. Vaak kwamen we samen aan bij het bejaardentehuis ‘Nijerop’ voor de nog goed ter been zijnde en nog niet zo erg zwakke bejaarden, zoals mevrouw Groot-van den Heuvel en Chris Berg met zijn vrouw. 
Die oudere mensen hadden zo hun eigen uitspraken. Bij mist zei de stokoude Brugman: ‘Klein wereldje, slager.’ 
Ik was zeventien en ze noemden me slager, terwijl ik nooit een koe had vermoord. 
Dat deden Maarten Dekker en Gert Langedijk wél. Die schoten nog koeien dood in de schuur. Peter Bleeker, zijn opvolger, schoot niet meer. Het slagersvak verloor zijn romantiek van zichtbare bloed, moord en doodslag. Saaie boel.

In Nijerop woonde ook Siep Booi. Siep was uiterlijk nog niet bejaard, maar woonde samen met zijn moeder, Antje Bruin, in het bejaardentehuis Nijerop. Siep was de gemeentewerker die je altijd op straat aan het werk tegenkwam met zijn collega’s Henk Oostra, Arie Arts en later Jan Bruin. De berm aanharken, herfstbladeren opruimen, de sluis schoonmaken, bestraten, maaien. Je kon het zo gek niet bedenken in het dorp of ze deden het. Vaak succesvol, niet altijd.
Op een keer reed ik langs Nijerop en zag dat het prachtige groene keurig onderhouden gazon voor het tehuis plotseling van de ene dag op de andere geel was geworden en totaal verdord. Siep had vruchtbaar zaad gestrooid over het gazon, maar niet het juiste. Gif. Bestrijdingsmiddel. 
Sommigen riepen ontzet: ‘Siep wordt te oud. Hoog tijd voor het bejaardentehuis.’
Maar hij zat er al. Met zijn moeder.
Als we het vlees bij zijn moeder kwamen brengen, zat ze altijd al klaar met haar mandje met de portemonnee erin. Stipt. Maar we kwamen op wisselende tijdstippen, want dat hing van de drukte af, van onszelf, onze zin en van de avond ervoor.
Dat zinde Siep niet, dus kwam hij op een dag razend aan de deur en riep luid: 
‘De ene keer kom je om half elf en de andere keer om elf uur. Dat moet over wezen! Je komt voortaan op één tijdstip! Om half elf! Hejjut hoord?!!’ 
En Boem! smeet Siep de deur met een harde zwaai dicht. Potdicht. 
Bij dit soort gebeurtenissen werd ik altijd gelukkig. Ik leerde het meest van de mensen die niet luisterden. Ze leerden me vooral hoe je niet moest leven. Dat scheelde me een hoop werk en zo leerde ik sneller dan ik had durven dromen. 
Mijn begrip voor Siep ontwikkelde zich wat trager. Pas toen mijn eigen deuren zich begonnen te openen.

In Nijerop leefde tevens Aaf Korver, die vaak sliep als we langskwamen en zelden de bel hoorde. Als ze dan eindelijk uit bed was, sprak ze alleen maar in het meervoud. 
Ze woonde alleen en plaatste dan bij Paul de volgende bestelling: 
‘Eén kadetjes graag, bakkers.’ 
Als Paul dat vertelde aan ons kreeg hij altijd de slappe lach en tranen in zijn ogen. Mijn moeder vertelde dat dat kwam door de puberteit. ‘Volwassenen lachen wel’, zei ze, ‘maar ze hebben nooit de slappe lach. Dat gaat over als je ouder wordt.’
De theorie van mijn moeder bleek niet helemaal te kloppen. Paul lapte haar theorie aan zijn laars en dat doet hij nog steeds. Misschien dat hij daarom als architect wel van die mooie gebouwen ontwerpt. Die slappe lach bevordert de creativiteit. 
Het zou verplicht moeten zijn op de Academie voor Bouwkunst. 
Met op het lesrooster: maandag 10-12 uur, lokaal 34, vak: de slappe lach, 
leraar: Paul Breddels. 
Gegarandeerd hoogstaande architectuur. En dat allemaal door één kadetjes.

Plaats een reactie