59. Dorpsverhaal 37. Het fanfarekorps (1)

Je moest echt heel goed zijn als je bij ons in het dorp in het fanfarekorps wilde spelen. Dat ging niet zomaar, dus kreeg ik als dertienjarig jongetje muziekles van de befaamde altsaxofonist en vrachtwagenchauffeur Klaas Smit. Na een half jaar zwetend oefenen en bij de les blijven, was het zover: ik mocht vóórspelen in het korps. 
De ultieme test. Ik speelde vol verve de fanfareklassieker, de ‘Briket Polka’. 
Virtuoos! 
Natuurlijk. Twijfel kende ik nog niet, laat staan zelfkennis. 
Ik vond het leuk, die fanfare, en het was gezellig, maar eigenlijk wilde ik nog iets anders. Ik had noten geleerd van Klaas, maar wilde ze niet heel precies spelen. Meer eromheen en niet in de maat, maar ernaast. Later pas begreep ik dat daar een woord voor was: jazz. 
En nóg later begreep ik dat dit een manier van leven was. 
Improvisatie, intuïtie, humor. 
Maar zover was het nog niet, ik was dertien en improviseren en naast de noten spelen mocht niet. Dat was fout vonden de gerespecteerde oude fanfareleden. 
Toen we zestien werden en ook stemrecht wilden hebben op de vergaderingen probeerden dezelfde gerespecteerde leden dat opkomende vuur eronder te houden. En net als brandweercommandant Lakeman bij de Koninginnestook sloten ze hun gordijnen. Ze dreigden het korps te verlaten, liepen weg uit de vergadering en zegden hun lidmaatschap op. Een week later speelden ze echter weer mee, want ze konden wel zonder die muziek, maar niet zonder die fanfare. En wij niet zonder ons stemrecht, dus bleven wij ook. In de fanfare, niet in de harmonie.

Er waren ook ouderen met andere kenmerken: improvisatie, intuïtie, humor. 
Zo was daar de trompettende touringcarchauffeur Jan van Herwerden. Niemand noemde hem zo. Iedereen zei Jan Pep en niemand wist waarom.
Zo hadden we ook Martien Boertje, die noemden we Tijd.
Waarom? 
En Hans de Graaf en Cees Helder, die noemden we alle twee Miene
Geen idee. 
Meer logische bijnamen waren er ook. De voorzitter van de biljartclub was Piet Heneweer en we noemden hem Piet Retour. En de ober, Cor Angevare, noemden we Cor Lekgestote. 
Die zaten echter allemaal niet op de fanfare. Jan Pep wél. 
Jan was groot, dik en altijd op zoek naar scheuren in vaste patronen en naar lichtheid in de zwaarte. Improvisatie. Hij zei bijvoorbeeld midden in een serieus gesprek over bestuursbeleid: 
‘Als er iets wordt uitgevonden dat lekkerder is dan neuken, blijf ik het er evengoed gewoon bij doen.’ 
Dat was geen agendapunt van het gesprek, maar Jan vond dan dat het allemaal te serieus werd. En dan begon hij over neuken.
Hij deed ook het tegenovergestelde. Als iedereen gezellig met elkaar sprak, bleef Jan lange tijd heel boos kijken alsof iets hem enorm dwars zat. Net zolang tot iemand vroeg: ‘Wat is er aan de hand Jan? Je kijkt zo chagrijnig.’ 
En Jan antwoordde met norse blik: 
‘Mijn uitsmijters willen niet opkomen. Ik heb ze in het najaar geplant, maar er komt niks en al mijn geld zit erin. Dus ik weet niet of ik de zomer haal, de dooiers zijn ook al kapot.’

Jazz!

Plaats een reactie