Verder terug in de tijd waren er ook dorpsbewoners met onvermoede talenten.
Zo sprak men met ontzag over de naam Siemen van der Oord.
De basis van dit ontzag vindt zijn oorsprong in het volgende Maffia-achtige verhaal.
Maar laat ik van tevoren even iets uitleggen. We zijn hier namelijk in Westfriesland en als je in Westfriesland een verhaal vertelt, dan begin je niet zomaar. Dat kan helemaal niet, want niemand luistert. Men is er nog niet klaar voor. Bovendien ligt het tempo van de conversatie laag, want men past zich aan de seizoenen van de oogsten aan en iedere oogst kent zijn eigen vaste tijden en ritmes. In het verhaal kan dus ruimschoots bij nutteloze details worden stil gestaan, want je hebt tijd zat.
Je zegt dus niet: ‘Ik sprak laatst Truus Blauwboer nog.’
Nee.
Fout.
Niet doen.
Je zegt:
‘Iemes leste liep ik deur ut deurp. En ik keek zo urs in de verte. En ik dogt bai mun aige: as je nou niet beter wiste. Den komt deer Truus Blauwboer. En toeze digterbai kwam, was utter ok nag.’
Vertaling:
‘Ik liep laatst door het dorp, en ik keek zo eens in de verte, en ik dacht bij mezelf: als je nou niet beter wist, dan komt daar Truus Blauwboer aan. En toen ze dichterbij kwam was het haar ook nog.’
Kijk, zo doe je dat in Westfriesland. Niet te snel en met oog voor detail.
‘Ik keek zo eens in de verte’.
Dat deed hij, dus dat moet erbij verteld worden, dat is belangrijk.
Ook de punten aan het eind van de zin zijn van belang. Dat betekent dat de zin een zelfstandig geheel vormt en dat het enige tijd duurt voordat de volgende zin uitgesproken gaat worden. De spreker geeft zodoende de luisteraar de gelegenheid de zojuist uitgesproken informatie tot zich te nemen en er zijn eigen conclusie aan te verbinden. Vandaar die punt. Die pauze. Rust. Alle tijd.
Pas aan het slot verdwijnen de punten en voeg je alleen nog maar komma’s in. Als je veel durft laat je ze helemaal weg. Het verhaal loopt op zijn eind, dus kan het vaart krijgen. Voor die vaart is het nodig dat je de woorden loslaat, zodat er een snellere stroom op gang kan komen. Die snellere stroom, dat is de climax van je verhaal. Althans, van je inleiding, want we zijn er nog lang niet. Het verhaal komt later, we beginnen pas. We zijn in Westfriesland.
Wil het verhaal écht op gang komen dan is de volgende stap om allerlei belangwekkende informatie in kaart te brengen voor de toehoorder.
Vanaf het begin moet volkomen duidelijk zijn over wie het gaat. Niet alleen zijn naam, maar vooral zijn karakteristieke kenmerken. Die kenmerken herhaal je dan. Niet één keer, maar meerdere keren en steeds in andere bewoordingen. Zo probeer, je via deze verteltechniek, te bewerkstelligen dat de informatie die je verschaft diep doordringt bij de luisteraar, want eerder kun je niet verder.
Dus als je over iemand wilt spreken die rijk is, dan zeg je niet:
‘Dat is Piet en die is rijk.’
Nee.
Fout.
Niet doen.
Je zegt:
‘Wai hadde bai ons op ut deurp un boerekirrul. En dat was un raike kirrul. Dat was un kirrul met sente. En ut was un hille raike boer en en zun ouwers en voorouwers wazze ok al raik, want hai had un hoop urrefgoed en hai had allegaar sulvere lepels op tafel en porselaine borde. Dat was un man, die zattur goed bai. En die raike kirrul. Dat was Piet Tuinman.’
Vertaling:
‘Er was bij ons op het dorp een boerenman en dat was een rijke man. Dat was een man met centen. En het was een hele rijke boer en zijn ouders en voorouders waren ook al rijk, want hij had veel erfgoed en hij had allemaal zilveren lepels op tafel en porseleinen borden. Dat was een man die er goed bij zat. En die rijke man was Piet Tuinman.’
Dit is alleen nog maar een korte, doch noodzakelijke inleiding. We zien hier tevens dat de verteller geoefend is, want het eerder genoemde principe van vaart brengen in het verhaal, gebeurt hier al middenin het verhaal. En aan het eind gebruikt hij de punten weer. Een rasverteller waarmee we ons voordeel mee kunnen doen in deze minicursus Westfriese vertelkunst.
Nu de belangrijkste kenmerken van de hoofdrolspeler bekend zijn, kun je verder gaan.
Niet met het verhaal, maar met het vervolg op de zojuist ingezette inleiding, want de toehoorder wil nog veel meer met je bespreken voordat je verhaal echt van start kan gaan.
Je gaat dus door en vertelt dan waar hij woont en vooral ook: waar hij daarvóór heeft gewoond en wat de reden was van zijn verhuizing. In die uitleg moet er dan ruimte zijn voor nieuwe uitwijdingen over buren en kennissen en wat daarmee gebeurd is.
Daarna wordt ingegaan op de familierelaties, wat de kinderen doen en of er ook sprake is van onoorbare praktijken of rare voorvallen in iemands leven. Doe je dat allemaal niet, dan krijg je verwarring en dat moet te allen tijde voorkomen worden. Zo’n voorgesprek heeft dus ook als functie om eventuele toekomstige fouten uit te sluiten en met respect voor de feiten. Historisch besef. En gezellig kletsen en ouwehoeren over de medemens die de historie maakt.
In het volgende hoofdstuk zullen we deze taalkundige theorie en verteltechniek weergeven in een concreet gesprek zoals die dagelijks in Wesfriesland moeiteloos plaatsvindt.
En oh ja, we hadden het over Siemen van der Oord.