64. Dorpsverhaal 42. ‘Schrijf maar op voor Gert Benit’

Gert Benit zat ook ‘op de Soos’, de sociëteit, de wekelijkse biljart- en kolfavond in de Prins Maurits.
Hij was aardig, stug en deed geen vlieg kwaad, overdag, maar ik heb de grootste en dapperste mannelijke helden, die alles al hadden meegemaakt en door wilde stormen waren gegaan in hun leven, in paniek zien sidderen voor Gert Benit als Gert hun tegenstander was op de biljartavond. Gert was, wat ze noemden, een sloper. Hij bracht zijn tegenstanders regelmatig tot grote wanhoop, want hij beheerste niet het subtiele kleine spel, maar wél het brede ruime spel. Nou ja, beheersen. Hij maakte het spel eerder totaal onbeheersbaar door met harde stoten binnen de kortste keren alle dicht bij elkaar gelegen ballen zo ver mogelijk uit elkaar te stoten tot ze in alle hoeken van het biljart lagen en de volgende stoot voor de tegenstander een onmogelijke opgave werd. Niet te maken. En Gert ging dan na zijn keiharde stoot meteen zitten en wachtte af. Met gesloten mond. Bloedserieus. 
Deze onmogelijke stootbeelden stonden al snel bekend onder de nog altijd gebezigde uitdrukking: ‘Gert Benit ballen’. Als je een Gert Benit bal krijgt, berg je dan maar en begin er maar niet aan, want de bal is niet te maken. ‘De bal is niet te maken’ wil in biljarttermen zeggen dat je weliswaar de gelegenheid krijgt een bal te stoten, maar dat het absoluut zeker is dat het geen punt zal opleveren, geen carambole. Dus niet aan beginnen, want je verlies staat bij voorbaat vast. En je vernedering.
Gert Benit was alles wat een goede biljarter niet was: groot, mank, boer, oud en grove vingers. Gert was niet iemand voor de subtiele piqué en massé, die gemaakt worden met de knie op de biljartrand, de keu verticaal omhoog, de rechterpols soepel op en neer bewegend en de verfijnde vingers van de andere hand wijd gespreid op het groene laken om de noodzakelijke steun aan de keu te geven die daar lichtjes op en neer langs glijdt.
Nee.
Dat deed Gert allemaal. Helemaal. In de verste verte. Absoluut. Niet.
Gert deed dat nóóit. 
Hij hield de keu altijd met beide grove handen muurvast en stevig vastgeklemd, alsof hij hem ieder moment kon vermorzelen of kon breken. Hij hield de keu ‘vals plat’, dat wil zeggen dat het léék alsof hij de keu horizontaal had, maar in werkelijkheid hield hij hem schuin omhoog van achter, zodat de keu aan de voorkant schuin omlaag richting laken en ballen ging. Dé ideale houding om het laken te doen scheuren. Gert gaf dan in die houding zijn stootbal vanuit zijn hele achterarm een enorme oplawaai over zes banden of meer waarbij noch van tevoren noch tijdens de loop der ballen helemaal duidelijk werd waar de ballen heen zouden gaan rollen. Er was maar één uitkomst altijd absoluut zeker: de tegenstander zou een Gert Benit bal krijgen.
Niet te maken.
Die bal.
Wanhoop.
In het dorp bestaat de uitdrukking: ‘Schrijf maar op voor Gert Benit.’ Dit zeggen mensen wel eens als grap aan het begin van de kolf- of biljartavond als de ober hun bestelling opneemt. De oorsprong van deze uitdrukking komt uit Luxemburg.
Mijn vader was daar eens met zijn compagnon Herman Vrede aan het stappen zonder geld op zak. Na de eerste bestelling in het café te hebben gedaan zei mijn vader tegen de Frans sprekende barkeeper: ‘Schrijf maar op voor Gert Benit.’
De goede man kende noch Nederlands noch Gert Benit, maar mijn vader wist hem toch te bewegen de consumpties op de rekening te zetten onder de naam Gert Benit. Halverwege de avond nam een andere barkeeper de plaats in. Even later stapten mijn vader en Herman op, maar werden tegengehouden door de nieuwe barkeeper met de rekening onder hun neus gestopt. Mijn vader liet de Luxemburger vol overtuiging zijn paspoort met de naam Jan Stammes zien. 
Er bleef de man niets anders over dan hen beleefd en zonder af te rekenen uitgeleide te doen. Met dank aan Gert Benit.

Plaats een reactie