Hij zat na het Luilakken met Pinkster achter zijn speelgoedkraam op het Kerkplein en met Schutkermis op het erf van Jan Leegwater, wiens boerderij ‘Uit de schaduw in het licht’ heette. Dik, sigaar, pet op en zittend op een krukje. Jaap Vod.
Toen Jaap stopte met het vak, dreigde er paniek uit te breken bij de kinderen in het dorp. Maar Jaap had de bedrijfscontinuïteit goed geregeld en hij werd opgevolgd door zijn zoon Nico. Dus noemden we hem Nico Vod.
Het was de mooiste kraam van de kermis, want alles lag door elkaar, dus was het net alsof je overal in kon graaien. Bovendien voelde Jaap haarfijn aan wat kinderen wilden: spanning en speelgoed. Zo kon je aan touwtjes trekken waarvan je nog niet wist welk stuk speelgoed eraan zou blijven hangen. Als je dan teleurgesteld keek, verzon Jaap snel een list en gaf je een nieuwe kans of een groter stuk speelgoed. Want daar ging het om: groot. Groter dan de ander en alles voor jezelf. Lekker pûh!
Dat was de kermis, voor kinderen, in de buitenlucht. Met de zweefmolen, de schietkraam van Blokker en de patat van Alles.
Dat stond op zijn kraam: ‘Patat van Alles!’
Door dat uitroepteken kreeg ik zin in die patat. Ik vond dat slim van Alles,
dat uitroepteken. Goed bedacht.
Zo heette hij.
Alles.
Grote man in kleine kraam met lekkere friet. Nou ja, het was eigenlijk geen kraam, maar het patatgedeelte vormde een eenheid met de auto die eraan vast zat. Alles kon zó wegrijden met zijn kraam en zijn mobiele eenheid en dan óp naar de volgende kermis.
Ik dacht altijd dat die grote Alles in zijn kleine kraampje wóónde. Dag en nacht.
Dat vond ik erg voor Alles, want Alles was te groot voor zijn te kleine kraam.
Ik vond het nóg erger, omdat ik Alles nooit buiten zag. Altijd maar binnen.
En binnen was alles te klein en Alles zélf was te groot.
Hier kwam nog bij dat ik Alles ook nooit zag rijden in zijn mobiele eenheid. Altijd maar patat bakken en verkopen, kromgebogen met zijn hoofd tegen dat lage kleine plafonnetje. Alleen als hij je het zakje patat aanreikte kwam zijn hand even buiten het luikje. Alleen de hand hapte naar lucht, maar Alles zelf niet. Hij bakte door. Alleen.
Het leek me wel lekker voor Alles als de kermis voorbij was. Dan hoefde hij niet meer te bukken en zo krom te staan. Lekker languit liggen en uitstrekken op de vloer van zijn patatkraam, want Alles ging niet naar buiten. Nooit.
Ik gunde Alles die uitgestrekte liggende positie, maar zag ook wel in dat dat slechts een tijdelijke oplossing was. Echter, hoe graag ik hem ook wilde helpen, ik kon het probleem niet oplossen voor Alles. Bovendien had ik genoeg aan mijn patat. Als ik dat had dacht ik nergens meer aan, ook niet aan Alles.
Of het nu patat mét was of patat zónder met.