Net als iedere zoon, geloofde ik mijn vader blindelings tot en met mijn 12e jaar.
Daarna verminderde dat heilige geloof vrij snel.
Maar dit terzijde.
Ik wil het hebben over een heel ander persoon: Anton van Beers.
Anton was, behalve bikkelende linksback, tevens de snelste sprinter in het Eerste van Nierup. Het belangrijkste, enigszins risicovolle, kenmerk van deze sprintstijl was dat Anton de gewoonte had om later te vertrekken dan zijn tegenstander. Hij wekte aanvankelijk zelfs de indruk achteloos te kuieren. Dit was echter allemaal sluwe Beersiaanse tactiek, want plotseling versnelde Anton dan zijn loop om deze vervolgens iedere pas razendsnel op te voeren. En in dat opvoeren geschiedde het wonder:
naarmate Anton sneller ging rennen, helden zijn rug en hoofd steeds meer voorover totdat zijn neus op gelijke hoogte belandde met zijn bekken. Zijn bovenlichaam lag dan geheel bewegingsloos horizontaal, terwijl zijn onderlichaam razendsnel voort ijlde. Dit was hét teken dat Anton op topsnelheid lag!
Mijn vader analyseerde deze unieke sprintstijl eens als volgt:
‘Anton van Beers loopt ónder de wind door.’
Ja, dát was het ultieme: ónder de wind doorlopen.
Niemand kon het, Anton wél.
Op een keer, tijdens een pupillentraining, daagden wij onze trainers Dirk Boeve en de gebroeders Henk en Anton van Beers uit voor een sprintwedstrijdje in de gymzaal. Tot onze grote verbazing won niet Anton die wedstrijd maar Henk.
Peinzend over deze onnatuurlijke gang van zaken slenterde ik huiswaarts en vertelde welke gebeurtenis zich op onze training had afgespeeld.
Mijn vader sprak de geruststellende woorden:
‘Ja, nogal logisch dat Anton niet won. In de gymzaal staat geen wind.’
De volgende dag werd ik 13 jaar.