Vrouwen nemen het leven serieus, mannen niet.
Een vrouw probeert de boel nog bij elkaar te houden, de man dóet maar wat.
Terwijl mijn moeder tijdens een Schutkermis plichtsgetrouw de afwas deed en stofzuigde, tooide mijn volstrekt atheïstische vader zich in zwarte monnikspij, zette een rode zonnebril op, besteeg een oude damesfiets en reed traag en minzaam mee in de Nierupper wielerronde, onderwijl de lachende mensen langs de kant zegenend met zwierige gebaren en vroom Limburgs accent.
Mijn lieve tante Trijni (Peetoom) kookte iedere avond trouw de groenten en piepers voor het gezin. Haar af en toe lieve man, ome Dik, vergat de maaltijd wel eens. In een poging de goede vrede dan weer te herstellen nam hij vanuit het gezellige dorpscafé van Harm Hees, waar dat vergeten plaatsvond, wel eens een paar kroketten mee. Totdat tante Trijni de gefrituurde staafjes oppakte, ze met uiterste precisie richting haar man wierp en uitriep: ‘Laat Harm Hees je kroketten maar opvreten!’
Tijdens een voetbalwedstrijd komt een nieuwe speler het veld in, een zekere Arie. En Arie speelt minder goed dan verwacht. Op de voetbaltribune zegt de vrouw benauwd tegen haar man:
‘Arie doet het niet zo goed, hè? Misschien moet de trainer hem wisselen.’
Haar man knikt, gaat staan, brengt zijn handen als een megafoon naar zijn mond en schreeuwt galmend over het veld: ‘Arie, er is telefoon voor je!!!’
Voetbal is een spel, werk is een spel en het leven ook, denkt de jongen, in de man.
En de vrouw zucht.
Tegen zoveel onvolwassenheid valt niet op te boksen.