81. Dorpsverhaal 59. De óude van der Bel

De winkel van de óude van der Bel, daar begon niet alleen alle levensmoed. 
Daar begon álles.

Hoort aan!

‘De boze man’, zo noemden we de vader van Roel van der Kooi, had alle Sliksteeg-jongens verteld dat als je de winkel van de oude van der Bel binnenging je er nóóit meer uit zou komen en de rest van je leven zou moeten doorbrengen tussen slapende prinsessen en bezemsteelrijdende schoonmoeders en brood met spinnen moest eten. 
Ik was negen jaar, raapte alle moed bij elkaar, en liep trillend van de zenuwen naar de Malle-Pietjes-Winkel van de stokoude van der Bel die mistig en schimmig verscholen lag achter de dorpsstraat-huizen aan het eind van een donkere steeg op een plek aan de rand van de Aarde. 
Toen ik eenmaal de indrukwekkend piepende krakende schurende winkeldeur aan de kant had geduwd, stond ik plotseling in een betoverende wereld van grote mysteriën. Achter de toonbank verrees de doorschijnende gestalte van de oude vrouw van der Bel. 
Bibberend vroeg ik: ‘Hebt u een fietsbel te koop voor vijf cent?’ 
Vrouw van der Bel zei niets en rende pront en stante pede achter de toonbank vandaan, beende tussen alle her en der verspreide stoelen, planken, boren, hamers, tuinharken en condooms door naar een donkere hoek in de zaak, smeet met een oorverdovend geraas vijftien emmers, twintig koekenpannen, dertig dweilen en honderd zesentachtig ijzeren buizen aan de kant, bukte in de pikdonkere hoek naar de vloer en toverde daar onder veertig spinnenwebben en vijftig dinosaurussen een glimmende tweedehands fietsbel vandaan.
De bel lag namelijk tússen de stoelen, de planken, de boren, de hamers, de tuinharken en de condooms, ónder de emmers, de koekenpannen, de dweilen en de ijzeren buizen in een pikdonker hoekje waar nooit iemand kwam, behalve giftige spinnen, dode dinosaurussen, toverfeeën en de springlevende doorschijnende vrouw van der Bel. 
Want vrouw van der Bel? Die wist waar álles lag. Álles! 
Tússen en ónder de ….
Juist.

Plaats een reactie