De nog immer onbeantwoorde vraag luidt:
Wie was de beste voetballer van het Nierupper kampioenselftal uit 1968?
Sindsdien zijn er vele véél minder belangrijke vragen gesteld:
Wat veroorzaakte de val van de Berlijnse muur?
Wie zitten er achter de onthoofdingen van IS?
Waarom smelten de Noordpoolkappen?
Maar ik begrijp nu dat het leven van mij vraagt het definitieve antwoord op die ene belangrijkste vraag te vinden, hóe dan ook en ten koste van wélk offer dan ook.
Mijn zinderende zoektocht brengt mij naar een van de kampioenshelden uit die tijd:
Henk van Beers.
Meteen stel ik de (toen) vliegensvlug sprintende rechtsback de vraag der vragen:
’Wie was de beste?’
Ik kijk hem verwachtingsvol aan.
Henk haalt diep adem en spreekt met grote stem:
‘Karel Koorn was de beste van de achterhoede, Jan Jes van het middenveld en Ben van Herwerden van de voorhoede.’
Shit!
We hebben nu dus drie de besten in plaats van één!
Lastige zaak.
En ik wéét,
Ben was topscorer en stak met zijn brandende schoten bovenlatten in de fik en brak ze aan flarden, iedere wedstrijd weer. Schroothopen werden ze, die latten.
En ik wéét,
Jan was de onnavolgbare dribbelaar die makkelijk twaalf tegenspelers in één schijnbeweging volledig kapot speelde. Huilend verlieten ze het veld, carrières gebroken.
En ik wéét,
Karel was de meedogenloze achterste man die ook in het Noord-Hollands elftal speelde en die bovendien levensgevaarlijk was als hij in de aanval ging. ‘Karel gaat naar voren!’ riepen wij jongens dan bewonderend hoopvol.
Henks genuanceerde antwoord maakt mij radeloos en mijn knagende twijfel is nu:
Moet ik mij verzoenen met deze ‘drie-de-besten-theorie’ van ervaringsdeskundige van Beers?
Of moet ik mijn wetenschappelijke zoektocht voortzetten om tot een allesomvattende ‘één-de-beste-theorie’ te komen?
Ik vrees:
De queeste gaat voort, want waarheid laat zich slechts strijdend en bloedend veroveren. Dus luidt nog immer de prangende vraag:
Wie was de beste? De enige beste.
Wie …?