81. Dorpsverhaal 62. Volwassenen en kinderen

Brugklas, Schagen, eerste dag. Wij, twaalf jaar. Hij, Wim Gorter, leraar wiskunde.
Vóór de les kletsen we wat in de klas. Dan stuift hij plotseling kwaad binnen en scheldt ons uit.
En nog altijd, als Wim Gorter in mijn herinnering komt, zie ik die blik, die leerlingen-willen-straffende boze blik van die schreeuwende man.

Kouwenberg. Zo heet onze nieuwe overbuurman in de Westerweg.
Kouwenberg komt geen kennis maken, dus stapt mijn vader op hem af om zichzelf even voor te stellen. Mijn vader zegt:
‘Het is hier een gezellige buurt met leuke mensen, dus je zult wel snel wennen hier.’
Kouwenberg kijkt strak voor zich uit en zegt:
‘Stammes, ik zal het eerlijk zeggen, ik ben zeven keer verhuisd in mijn leven en ik heb het nooit getroffen met mijn buren.’
Nog geen dag later gooien wij kluitjes tegen zijn ruiten en schieten voetballen in zijn tuin. Kouwenberg rent en scheldt en tiert en treft het nooit met de jongens in zijn buurt.
En nog altijd, als Kouwenberg in mijn herinnering komt, zie ik die blik, die jongens-willen-straffende boze blik van die getergde man.

Hij zit op zijn knieën op het grasveld voor zijn huis en kauwt relaxt op een grassprietje.
Cor Blokker kijkt glimlachend de wereld in.
Wij rennen van huis naar huis en trekken, in onze broek pissend van het lachen, belletje. Een man in pak, de vriend van Ina Compas, rent razend achter ons aan en geeft mijn broer een klap. Dan kijkt hij hijgend naar de grinnikende Cor die zegt:
‘Oh jôh, je motte de humor van die joôs een beetje snappe.’
En nog altijd, als die man in pak in mijn herinnering komt, zie ik zijn handen,
die kinderen-willen-straffende boze handen van die slaande man.

En nog altijd, als Cor Blokker in mijn herinnering komt, schiet ik in de glimlach en denk:
Cor Blokker, wat fijn dat hij nog grappig-grassprietjes-kauwend dóórleeft.
In mijn grinnikende hoofd.

Plaats een reactie