Afgelopen nacht trok een stoet prachtige mensen aan mij voorbij in een zee van bloeiende bloemen.
Eerst ontmoet ik onze buurvrouw in de Sliksteeg, Trijn de Boer. Ze is de enige buurvrouw die altijd zónder bloemen naar het kerkhof gaat en mét bloemen terugkomt.
Dan zie ik kluizenaar Jaap Langedijk voorbij komen die appelen uit zijn eigen boomgaard brengt naar de gevangenis in Alkmaar. Ik zie hem ook onderdak verschaffen aan mensen die niets hebben.
Hierna kijk ik naar de lachende blik van Loek Bruin die met Schutkermis bij mij aan de bar een biertje bestelt en zegt dat ik het moet opschrijven voor Gert Benit. Ik zie alle mensen om Loek heen vervuld zijn van vreugde, aangezien Loeks leven eruit bestaat om mensen blij te maken.
Daarna komt Jan Pep langs die, volgens hém, al vele jaren wetenschappelijk onderzoek doet aan de ‘Universiteit van Terdiek sur Mer’ om aan te tonen dat het drinken van alcohol noodzakelijk is om de slappe hersencellen te doen afsterven, zodat alleen de sterke cellen overblijven.
Dan ben ik opeens dertien jaar en overhandig ik als aanvoerder van het kampioenselftal aspiranten C een grote bos bloemen aan de ongeneeslijk zieke Jo de Weerd als dank voor zijn grote verdiensten voor de voetbalclub.
Vervolgens word ik nóg jonger en hang met mijn lagere school vriendje Jan de Graaf aan de rand van het diepe kanaal, zónder dat we kunnen zwemmen.
Aan het eind van de optocht loopt Rein Rougoor die zich in café de oude Prins Maurits tranen lacht om een hoed die mijn vader aan stukken scheurt. Waarna Rein plotseling in verbijstering achterblijft als hij ontdekt dat het zijn eigen hoed is.
En uiteraard groet Piet Witsmeer de wereld hartelijk vanuit zijn lachende shovel.
Op de een of andere manier wás ik gisternacht ál deze mensen en waren zij mij.
Zo liepen wij eeuwig voort in een eindeloze stoet van schaterende schoonheid.
En brachten we elkaar naar huis. Het huis waar iedereen was.
En waar iedereen altijd had gewoond.