Mijn oma plaste nooit in haar slipje.
Waarom zou ze?
Het leven was al zwaar genoeg.
Mijn oma was oma Stammes, alias Trien Butter, alias Trien Margarien, zoals ze rond dorpsstraat 91 ook wel werd genoemd. Geboren nog net in de 19e eeuw: 1899.
Ze was een hardwerkende, regelvaste, strenge vrouw die, behalve zes kinderen, ook nog een boerderij op Terdiek runde. Opa deed wel mee, maar die was wat meer geïnteresseerd in biljarten en in, zoals mijn vader het noemde, ‘hardvuurderij en draafwerk.’
Toen kwam 1956.
Het was voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis dat op een gedenkwaardige avond het hele land keek naar één man: Toon Hermans. Het was stil op straat.
Nadat oma de TV-show had bekeken wilde ze Toon beslist in het echt zien.
Aldus geschiedde.
Begin jaren ’60 togen mijn vader en moeder met oma en opa naar theater Carré in Amsterdam. Daar zou de inmiddels legendarische Toon optreden.
Die unieke avond is er Nierupper familiegeschiedenis geschreven.
Het is een historisch feit dat oma die avond zó gierend hard heeft gelachen dat zelfs haar stoel in theater Carré bevlekt was met urine. Zo bleek na afloop.
In plaats van hard overleven was daar plotseling de humor, de lichtheid, en het even geen zorgen aan oma’s hoofd hebben.
Ik ben hem nog steeds dankbaar, Toon, voor alle lachtranen.
En ook koester ik de humor-herinnering aan het plasnatte Carré-slipje van mijn strenge oma die zichzelf één avond in haar leven durfde te laten gaan en volledig los ging in onstuitbare slappe schaterlachen.
De slappe lach. Het maakt het leven zo draaglijk.
Vooral met zes kinderen, een man, een crisistijd, een wereldoorlog, en een Terdiekse boerderij om te overleven.
Mijn oma was een dappere en energieke vrouw. Met een heerlijke schaterlach.
Eén keertje maar.
Maar wát voor een keer!