In de tijd van onze ouders en grootouders, en wellicht in die van u, was het bezit van toilet en douche een teken van welstand. In die tijd beschikten de meeste huizen weliswaar over een WC, een poepdoos, maar vaak was die buitenshuis gevestigd op 10 à 15 meter afstand.
Daar vond men dan een vervallen, houten gebouwtje dat op vier palen boven een sloot stond en waarvan je niet wist of het wel vertrouwd was om erop te gaan zitten. Veel zorg aan de palen werd er tenslotte niet besteed!
Daarom werd er in veel plaatsen een badhuis gebouwd. In Nieuwe Niedorp was deze gevestigd tussen de kleuterschol en de NH kerk. Hier konden de dorpelingen zonder douche twee keer (!) per week een bad nemen. Welvaart!
Een man die vermoedelijk geen gebruik van het badhuis maakte was dokter de Boer, die altijd in zijn handen wreef en om een lepel vroeg. Het maakte niet uit wat je mankeerde, een gebroken been, een hersenschudding, of iets anders, maar dokter de Boer vroeg bij huisbezoek altijd om een lepel en keek altijd in je keel.
Raadselachtige man.
Deze dokter was in de jaren ’60 supermodern, want hij deed zijn huisbezoeken per auto. Zijn voorganger, dokter Maats, deed dit per paard en rijtuig. Hij had hiervoor een speciale koetsier in dienst, Dirk Brouwer, die tegenover de dokter woonde.
Kijk, dat waren nog eens notabele tijden!