Om enigszins helder te krijgen waar deze teksten over spreken, lijkt het me goed om te beginnen met enige persoonlijke ervaringen van Fluisteringen van de ziel.
Hier mijn eerste twee zielservaringen.
FLUISTERING 1
Ik ben 9 jaar en loop, zoals wel vaker, met een rubberbootje onder mijn arm naar het kanaal buiten het dorp, leg het bootje in het water, ga erin liggen en laat me drijven door de stroom. Na enige tijd belandt het bootje in het riet en daar blijf ik liggen. Het riet wuift zachtjes, de golfjes klotsen tegen de kade en ik voel mijn adem bewegen. Alles is heel stil, ik ben helemaal alleen en niemand weet dat ik hier ben.
Dan realiseer ik me plotseling het volgende: dat iedereen er altijd is en dat iedereen altijd hier is.
Ofschoon ik dit als negenjarige niet zo kon verwoorden is het een volstrekt natuurlijke gewaarwording en de hersens, die dit ‘normaal gesproken’ ogenblikkelijk zouden verwerpen als zijnde onlogisch, protesteren niet. De ervaring is sterker dan het denken en ik geef me eraan over zonder gedachten aan overgave. De gewaarwording is alom aanwezig en neemt mij in zich op. Het gebeurt zonder dat ik iets bewerkstellig.
Wat ik hier beschrijf is geen ervaring in de gebruikelijke zin van het woord, aangezien de zintuigen er niet bij betrokken zijn. Wat gebeurt is eerder een fluistering, een geestelijk zuchtje wind dat buiten de tijd plaatsvindt. Een uiterst subtiele herkenning van innerlijk weten. Hoe subtieler de ervaring, hoe waarachtiger en essentiëler ze is.
FLUISTERING 2
Ik ben 29 jaar en ga anderhalf jaar in mijn eentje op wereldreis door Zuid-Amerika en Azië.
In Varanasi, India, lig ik op bed in de ‘Tourist Bungalow’ en stel ik de op dat moment essentiële vraag voor mij:
‘Als ik nu niets meer wil, niets meer hoef of moet, niets meer begeer, ambieer, nastreef, als ik dit alles niet meer doe, gaat er dan nog iets gebeuren? Of niets gebeuren? Of ga ik dan dood? En als er iets gebeurt, wat is dat? En wie doet dat dan?’
Na enige tijd in het niets te hebben gelegen en geluisterd, begint er iets in mijn lichaam te bewegen. En die beweging gaat, geheel uit en in zichzelf, dóór zonder dat ik hier met mijn hoofd ook maar enige invloed op uitoefen.
Het lichaam doet, spreekt, eet, wandelt en ik kijk er in verbazing naar. Ik zie dat ikzelf niets doe, terwijl wat nodig is, wordt gedaan. Het is een wonder en tegelijkertijd volkomen vanzelfsprekend, normaal en natuurlijk. En noodzakelijk.
Wat me toen, na de prangende vraagstelling, overkwam, zou me de rest van mijn leven naar zich toe blijven trekken: bewust leven in het hier-en-nu, waarbij het hier-en-nu alleen kan bestaan als de doener afwezig is.