Onder Delft stroomt een ondergrondse rivier die bijna niemand meer kent of ziet en waarvan slechts een enkeling de onzichtbare loop kan volgen.
Je kunt alleen, als je écht kijkt, de weerspiegeling ervan zien in de straten, bomen, gebouwen. En in de mensen.
Je kunt dit doen door traag en aandachtig te kijken en je niet te laten afleiden door nuttige zaken.
En als je dat dan doet dan hoor je het zingen van de stenen. Dan zie je dat de takken van de bomen zich reikhalzend uitstrekken naar de wolken om hun water te ontvangen en dat de wortels zich diep in de aarde dringen om haar voedsel te omarmen.
Dan voel je de wind, de onzichtbare hand die jouw huid aait en teder koestert, omdat zij jou nodig heeft.
En als je door het gras loopt dan voel je dat de trillende sprietjes verlangen naar de streling van jouw naakte voeten.
Op het moment dat je stilstaat in de stad en kijkt, écht kijkt, ontwaar je de verborgen eeuwen die tevoorschijn kruipen uit de oude gescheurde muren en hoor je de stemmen, die nooit zijn gestorven, tot jou spreken. En jou roepen.
Als je luistert, écht luistert, dan hoor je de onzichtbare rivier onder de straten stromen.
En als je omhoog kijkt dan zie je dat de vogels niet vliegen om zich te verplaatsen of om voedsel te zoeken. Nee, ze doen niks nuttigs.
Vogels vliegen zoals ze zingen, voor het plezier, voor de schoonheid van de beweging, voor de euforie van het moment.
Als je dan stil bent, écht verstild bent, en luistert, en kijkt, dan ga je uiteindelijk zien.
Dan zie je dat de onzichtbare stroom alles zichtbaar maakt.
En zie je dat de ondergrondse rivier alles verlicht wat bovengronds is.
En als je dan naar de mensen kijkt, en naar jezelf, en naar alles om je heen, dan zie je dat de wereld toebehoort aan hen die besloten hebben om niets te bezitten.