Is er een God?
Deze vraag ving ik op in het gesprek naast me.
Een jongeman, twintiger, vrolijke haardos, nieuwsgierige grote ogen, zat tegenover een grijsharige stralende vrouw, zeventiger, zachte ogen. Ze waren duidelijk diep verbonden, maar geen familie, vriendschap of romantische relatie. Er was iets anders, iets veel méérs.
Het was lange tijd stil.
Een stilte die je kon zien.
Als je luisterde en als je zelf volkomen stil was.
In die stilte was een ruimte en in die ruimte klonk haar bewegingsloze geluid:
‘De schepper is het geschapene.’
In het café kropen mensen dicht tegen elkaar, praatten, aten en dronken,
en ook
was er die stilte
was er die ruimte
waarin niets bewoog
zelfs niet het lawaai.
Haar zwijgende stem sprak:
‘Schepping heeft genoeg aan zichzelf.
Ze heeft geen aparte schepper nodig naast of apart van zichzelf.’
Hij stamelde.
Zij vervolgde.
‘Schepping heeft geen instantie nodig buiten zichzelf om haar te scheppen.
Op het moment dat je een instantie buiten de schepping accepteert om haar te scheppen, splits je het leven en kom je terecht in een tweedeling en vicieuze cirkel.
De redenering is dan:
Hoe kan het leven er zijn zonder door iets of iemand geschapen te zijn?
Er moet toch iets zijn dat iets schept?
Dus moet er toch een schepper zijn?
Tja.
Zo redeneren alle godsdiensten.
Als je hun redenering volgt dan dringt automatisch de vraag zich op:
Wie schiep de God?
En als de God er kan zijn zonder te zijn geschapen, wat is dan het probleem?
Dan kan het leven er namelijk zijn zónder dat het geschapen is.
Dan accepteer je dus principieel dat iets er kan zijn zonder te zijn geschapen.
Dat er geen schepper is.
Zie je dit?
Zie je dat iets bestaat, zoals jij als mens, zoals de planten, zoals het heelal, zónder dat het geschapen is door iets dat buiten de mensen, buiten de planten en buiten het heelal ligt? Alles ligt binnen in het geschapene dat zichzelf schept en zelf de schepper is van zichzelf.
Zie je dat?’
Haar woorden vergrootten de stilte terwijl ze spraken. Stilte kende geen grenzen.
Ook de openheid waarin stilte huisde opende zichzelf in een nóg wijdsere stilte die vooraf ging aan ieder denken.
Ze zei:
‘Waarom zou je dan van A naar B gaan en van B naar C?
Waarom zou je van een schepper naar het geschapene gaan, van de hemel naar de aarde, van God naar de mens?
Waarom zou je splitsen, classificeren, scheiden, indelen?
Waarom zou je dat dan doen?
Je doet het omdat je vertrouwd bent met je denken. Het is het denken waaraan je verslaafd bent. Het denken dat noch eeuwigheid noch tijdloosheid kent.
Denken stamt uit het verleden en zo creëert het denken de tijd; verleden, heden en toekomst, die illusies zijn.
Jouw denken, jouw aannames zijn alleen maar veronderstellingen. Vandaar dat de hele bedachte, verzonnen theologie simpelweg flauwekul is.
Zie je?’
Tussen haar woorden, tussen haar letters, tussen haar en haar partner gaapte de leegte van het heelal.
Hij zei:
‘Als er geen God is, hoe kan een mens dan leven?
Ze legde haar hand zacht op zijn arm en zei:
‘Dit is een gedachte die voortkomt uit angst. Wees lief voor angst, wees zacht, wees vriendelijk. Angst is een kind van het onbekende. Het heeft lichtjaren gereisd om jou te vinden. Het gaat erom dat er geen scheiding is tussen jou en je angst. Wéés de angst.
Als je dit niet ziet, niet aanvaardt, dan ontstaat de theologie, de filosofie, die bestaat uit denken, concepten en vluchtwegen uit de angst, uit het leven en uit de schepping die jij bent.
Theologie begint met God.
‘Theo’ betekent God.
‘Logie’ betekent logica.
Theologie betekent dus logica over God.
Logica over God is een tegenspraak in zichzelf.
Zie je de onzin van deze redenering door theologen?
Logica over God!
Zulke waanzin kan alleen een denkend hoofd vol lawaai bedenken.
Filosofen, theologen en ander gespuis, hun denken is niets anders dan een verzameling kakelende lawaaimakers in hun gesloten hoofden.
Zie je?’
Haar woorden versmolten met een zuiverende ernst die door het open raam binnendrong en de hersens reinigde van elk denken en voelen.
In het midden van alles was een plekloze plek die onaanraakbaar was en insloeg als bliksem die vernietigt en verbrandt. Ze was zo licht als lucht en het middelpunt van de hele schepping.
Ieder woord was overbodig, ieder gevoel oppervlakkig, ieder denken schoot tekort.
Haar dóordenkende gesprekspartner vroeg:
‘Dus de schepping zélf is God?
Wij zijn God, ik ben God, jij bent God, iedereen is God?’
Zijn woorden tuimelden op de grond, zij raapte ze op, wreef ze fijn en fluisterde stil:
Als je persé het woord God wilt gebruiken, moet je de betekenis veranderen, want in dat geval zal ook de ezel God zijn en ook de bommengooier en ook de slang.
Het is dus beter het woord te laten vallen, omdat het woord zelf gevaarlijk is en tot nutteloze misverstanden leidt. In dat geval veronderstel je namelijk dat als je op een ezel rijdt, je op een God rijdt en als je een bommengooier bent, je een God bent.
Dit is natuurlijk een vergissing.
Zie je?’
Nog dichterbij dan ieder zintuig was er die stervende schoonheid die je alleen kon zien zonder ogen. Het vulde de hele ruimte die het zélf was.
Ik keek naar de jongen, luisterde naar zijn terneergeslagen geest en leed met hem mee. Tot ik voelde dat de tijd had opgehouden te bestaan, het heelal volledig was uitgewist en ik in dat moment de jongen wérd. En zijn lijden.
Zijn ogen staarden strak in de peilloos lieve ogen van de vrouw, hij stak zijn koude bevende hand over tafel en zij hield hem teder vast.
Hij zei:
‘Ik zou zo graag van ieder moment willen genieten.’
Zij sprak teder en beslist:
‘Je maakt nu een scheiding tussen dit moment en jezelf. Zo splits je het leven tussen een Ik en Dit moment. Je maakt een tweedeling en in die deling is het onmogelijk te genieten van dit moment, omdat je gescheiden bent. Je kunt het hooguit denken, maar de gedachte splitst en met het denken creëer je de illusie. Als je denkt ‘Ik geniet’ ben je al weg van dit moment.
Het feit is dat jij dit moment bént. Het is een feit dat uit dit moment een vreugde ontstaat die ondanks jouzelf plaatsvindt. Als je probeert en wilt genieten, gaat het van je wég.’
Hij:
‘Ik denk dat de kracht die ons leven geeft, of wat dat dan ook is, de energie, het universum …’
Zijn gedachten werden voortgedreven door eeuwen van angst, plezier, verlangen en zorgen. Zij misten het zuiverende verdriet van de dood en de rouw en duwden tegen de dichte sluier die zijn levenslange bezit was.
Ze onderbrak hem op liefdevolle toon:
‘Nu maak je jezelf tot gevangene. Als je zó sterk gehecht bent aan het woord God, aan het woord Energie, aan het woord Universum, als je beslist niet zónder die woorden kunt, maak er dan goddelijkheid van. Of nog beter: maak er een werkwoord van. Maak er een kwaliteit van. God is een werkwoord. Als je er een zelfstandig naamwoord van maakt, dan vermoord je het. Je stopt dan haar groei en haar oneindig zwarte verrukking. Zelfstandige naamwoorden groeien niet. Alleen werkwoorden groeien.
Het gaat erom diepgaand te beseffen wat vergankelijkheid is. Niet alleen verstandelijk. Heb je vergankelijkheid al geïntegreerd in elke gedachte, iedere ademtocht en elke beweging, zodat je leven erdoor veranderd is? Is je besef van vergankelijkheid zó scherp en intens geworden dat je niet anders meer kán dan mededogen hebben met ieder wezen? En is het besef al zo groot dat je elke seconde van je leven wijdt aan het streven naar innerlijke bevrijding, zowel van jezelf als van anderen?
Besef je dat al?’
Ze duwde hem en hij zichzelf naar de rand van de afgrond.
Hij slaakte een schreeuw, viel in het ravijn en stierf duizend doden.
Alles zweeg.
Zijn lichaam stond op
en toen zijn hoofd uit elkaar spatte
glimlachten zijn lippen
stopte de tijd
en zag hij miljoenen sterren geboren worden en miljoenen sterren sterven.
Niets veranderde, niets bewoog.
Er was niets dat ook maar íéts deed.
En er was geen plek in de sterren die hij níét was.