Varanasi, India, Azië, 1988
Liggend op bed in de ‘Tourist Bungalow’ stel ik de op dat moment essentiële vraag voor mij:
‘Als ik nu niets meer wil, niets meer hoef of moet, niets meer begeer, ambieer, nastreef, als ik dit alles niet meer doe, gaat er dan nog iets gebeuren? Of ga ik dan dood? En als er iets gebeurt, wat is dat? En wie doet dat dan?’
Na enige tijd in het niets te hebben gelegen en geluisterd, begint er iets in mijn lichaam te bewegen. En die beweging gaat, geheel uit en in zichzelf, dóór zonder dat ik hier met mijn hoofd ook maar enige invloed op uitoefen.
Het lichaam doet, spreekt, eet, wandelt en ik kijk er in verbazing naar. Ik zie dat ik zelf niets doe, terwijl wat nodig is, wordt gedaan. Het is een wonder en tegelijkertijd volkomen logisch en normaal. En noodzakelijk.
Zo vind ik mezelf even later terug in een volle eettent aan de straat, vlakbij de heilige rivier de Ganges, waar ik een klassiek bord ‘dal-rice’ nuttig. Lekker goedkoop voor een backpacker.
Buiten is er groot oproer en de politie draaft op paarden door de straten. Geschreeuw, geren, gejoel. Er vallen klappen.
Tegenover me neemt plaats een zwijgende Indiër die hier niet lijkt te passen. Hij heeft lang zwart haar, een gladgeschoren gezicht en draagt een grijs Westers kostuum. Als hij bestelt, hoor ik een Oxford-Engels accent.
Op mijn vraag wat er precies aan de hand is, antwoordt hij:
‘Zojuist zijn dalits uit de tempel gegooid, waar ze binnen probeerden te dringen en hun plaats opeisten.’
Ik: ‘Wat zijn dalits?’
Hij: ‘Dalits zijn paria’s, onaanraakbaren, degenen die buiten het Indiase kastenstelsel zijn gesloten. Ze hebben daarom weinig rechten.’
Ik: ‘Waarom is dat?’
Hij: ‘Dat is een lang verhaal en India is een raar land. Mensen willen de dalits uit de tempels jagen, maar wat ze moeten doen is niet de mensen weren, maar de tempels slopen. Die dienen tot niets.’
Ik: ‘Misschien vinden mensen het prettig om samen in de tempel te zijn?’
Hij: ‘Mensen verzinnen van alles om zichzelf te ontvluchten. Alles wat we hebben uitgevonden, de symbolen en de rituelen in de kerken, tempels, moskeeën, die zijn daar allemaal neergezet door denken. Denken heeft dit alles uitgevonden.
Allemaal verzinsels.
Zo heeft denken ook de verlosser uitgevonden, de goden, de beelden. Denken heeft alles verzonnen wat men heilig noemt. Het zijn allemaal maar fantasieën die mensen bedenken. Zo bedenken ze ook een God. Denken is dus in zichzelf niet heilig. Je ziet hier wat voor puinhoop, geweld en uitsluiting dat denken teweeg brengt.’
Ik neem nog een hap linzen-rijst en denk na over denken.
Ik: ‘Dus mensen denken dat iets heilig is, maar omdat het denken zelf niet heilig is, is datgene wat men heilig noemt niet heilig?’
Hij: ‘Inderdaad.’
Vraag: ‘Wat is dan heilig?’
Hij zwijgt lange tijd. Even is het alsof hij mijn vraag vergeet of dat hij twijfelt om verder te spreken.
‘Dit kan alleen begrepen worden wanneer iemand volledig vrij is van angsten en zorgen, van autoriteit, van een geloof, van een systeem. In die ongeconditioneerde staat ontstaat het gevoel van liefde en compassie, wat geen denken is. Deze staat heeft haar eigen intelligentie die los staat van denken. In deze vrijheid is het denken volledig stil. En wanneer de geest volledig stil is, kan datgene wat heilig is plaatsvinden.’
Terwijl hij kalm en met vuur spreekt, zijn z’n ogen naar binnen gericht en tegelijkertijd heel helder. Ik krijg het wonderlijke gevoel dat een volle leegte mij aankijkt die zowel intiem dichtbij als mijlenver weg is.
Ik: ‘Is heilig hetzelfde als waarheid?’
Hij: ‘Hier denkt men waarheid te vinden door houvast te zoeken. Alsof het een vast punt is dat bereikt moet worden door middel van hard werken, of bidden, of offers brengen. Het is absurd. Ze maken elkaar gek.
Waarheid is overal, het is een land zonder pad dat door geen enkele religie of wat voor weg dan ook benaderd kan worden. Mensen proberen het te organiseren en daarmee maken ze het dood.’
Ik: ‘Is dat zo?’
Hij: ‘Kijk maar eens om je heen. Jij en ik zijn de enigen die hier alléén zijn gekomen. Niemand durft in z’n eentje deze eettent binnen te stappen. Ze komen allemaal met elkaar, in groepjes of met z’n tweetjes. Bang om alleen te zijn en denken wat anderen wel niet van ze zullen vinden. Allemaal zwakte, allemaal houvast, allemaal angst. En met diezelfde angsten gaan ze naar de tempel om waarheid te zoeken. Belachelijk, hè?
Waarheid is een speelbal geworden voor de zwakken. Zo’n georganiseerd geloof is een kruk, een zwakheid en een verslaving die het individu kreupel maakt en het verhindert innerlijk te groeien en zijn eigen gaven te ontwikkelen. Als de mens zichzelf zwak maakt, wordt hij machteloos. En vanuit die machteloosheid wordt hij dan kwaad en gaat hij geweld plegen. Dat is wat je hier ziet gebeuren.’
Ik: ‘Is dat alleen hier het geval dan?’
Hij: ‘Je ziet het overal en steeds onder een andere naam. Ik ben hier geboren, maar ik ga morgen terug naar Engeland waar ik woon. Op mijn werk vereren ze de ratio als hun God. Het is een stap verder dan de tempels hier, maar nog altijd blind.
Afijn, genoeg hierover, wat doe jij hier eigenlijk?’
Ik: ‘Reizen, ontdekken, luisteren, leren.’
Hij: ‘Dat is mooi. Ook goed dat je alleen op reis bent. Hoe lang al?
Ik: ‘Dit is mijn vierde lange reis. Al met al ongeveer drie jaar nu.’
Hij: ‘Als ik je een tip mag geven. Zorg dat je veel alleen blijft. En wees stil. Want die tempel, die heilige tempel, die zit in jou. Dat bén jij. En als je die ziet, zie je hem overal, tot in het kleinste grassprietje.’
Dan staat hij op, geeft me een hand en loopt weg.
Ik kijk hem na.
Tussen alle rumoer, al het geschreeuw en al het vuil op straat vervolgt hij kalm en stil zijn weg in zijn grijze pak. Als enige. Alsof hij onaanraakbaar is.