Ik ben met mede-laag-budget-reiziger Ruud Harberts een half jaar door Afrika aan het ‘backpacken’. Via Kenia en Oeganda willen we op weg gaan naar het noorden: Soedan, Egypte, Algerije, Tunesië, Marokko.
Maar eerst gebeurt er nog iets anders.
Gevangen in Kampala, Oeganda, Afrika, februari 1982
Het is 02.30 uur. We slapen.
Plotseling worden we wakker door rumoer. Er staan drie agenten van de ‘Security Forces’ met geweren in de aanslag op de hotelkamer. ‘Passports please. You get dressed.’
We worden in een legerjeep geladen, ‘you on the floor’, en rijden liggend op de grond met gewapende soldaten naast en boven ons door een belegerde stad naar het hoofdkwartier van de Veiligheidsdienst. Overal horen we schieten en granaatinslagen.
We worden in een cel geduwd waar nog een aantal Westerse reizigers zijn verzameld die eveneens uit verschillende hotels van hun bed zijn gelicht.
Een politieman schrijft onze paspoortgegevens in een schrift en daarna apart op een vel papier. Zo gaat dat in een belegerde Afrikaanse stad. Alle tijd. En de notulen zijn belangrijk.
Dan zegt een bewaker: ‘You wait. You don’t have to worry.’
Deze zin is het eerste teken dat we in gevaar zijn: ‘You don’t have to worry.’
Net als in India als men zegt: ‘No problem!’ Of in Turkije: ‘Problem yok.’
Dan weet je dat je in de problemen zit.
Terwijl ik op de stenen vloer zonder deken tevergeefs probeer te slapen, zie ik dat de dienstdoende wacht een fles bier opdrinkt. En nog een. En nog een.
De suppoosten worden de volgende dag gewisseld. De nieuwelingen zeggen:
‘You are under arrest.’
Op de vraag waarom antwoordt hij: ‘I don’t know. Just forget what I’ve said.’
In de avond worden we een verdieping hoger in een andere cel geloodst. We kijken uit op een binnenplaats waarvan we later horen dat Idi Amin, de vorige dictator-kannibaal, zijn gevangenen hier liet martelen. Nu loopt er een boze officier tegen rekruten te schreeuwen.
Nog steeds geen paspoort, geen bed, geen eten, geen douche.
‘Don’t worry, just wait.’
Ik spreek een Fransman wiens vrouw en kinderen ergens in het door terroristen of vrijheidsstrijders belegerde Kampala zijn achtergebleven. Hij zegt:
‘Ze zeggen al uren dat ik me geen zorgen hoef te maken, maar niemand weet of de stad vannacht zal overleven en ik weet niet waar mijn vrouw en kinderen zijn.’
Na een dag en een nacht komt weer een nieuwe lading wachters. Ze weten geen van allen wat er loos is en waarom we hier zitten.
‘We are trying to find out what’s happening. We just found you here. Don’t worry.’
De ondervragingen
Ieder van ons moet mee om in een aparte kamer te worden ondervraagd. Als ik aan de beurt ben, sta ik voor een groot bureau met een man erachter, een lamp op me gericht en soldaten met geweer tegen de muren.
Dan komt de eerste intelligente vraag: ‘Give me your passport.’
Dat is lastig geven als zijn personeel dit object reeds in beslag heeft ingenomen.
Ook een interessante vraag: ‘What was your father doing when you were born?’
Ik herinner me de legendarische Monty Python scene en antwoordt:
‘Bicycle repairman!’
De Grotebureauman rekent het goed en ik moet het formulier (altijd maar die heilige formulieren) tekenen.
Dan breekt weer de nacht aan. Nog steeds geen eten, geen slapen en geen paspoort.
De volgende ochtend krijgen we in aparte groepjes van vijf personen iets te eten.
We horen dat de Nederlandse consul is geweest, maar dat ze die met geweld weer naar buiten gegooid hebben. Ik denk: ‘Niemand weet nu dat ik hier ben.’
Ik voel kippenvel en een korte rilling.
De bevrijding
In de namiddag komen de consuls en ambassadeurs van Amerika, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Toen ze hadden gedreigd naar de president, Milton Obote, te gaan, werden ze binnen gelaten, zo vernemen we.
We krijgen de Nederlandse consul, Ada, te spreken. Ze zegt dat er afgelopen nacht duizenden Oegandezen zijn doodgeschoten. Ze heeft overal in de stad lijken zien liggen. ‘Jullie worden hier vastgehouden voor machtsvertoon,’ zegt ze nog.
Dan krijgen we onze paspoorten terug en mogen met haar mee naar buiten.
We gaan naar het consulaat dat gevestigd is in een Shell-gebouw in een buitenwijk.
Als we terugkeren in ons hotel begroet het personeel ons blij en verbaasd. Op onze vraag waarom zo verbaasd antwoorden ze:
‘Because usually people never come back.’
Ik denk aan de woorden die we twee dagen lang in de gevangenis gehoord hebben:
‘Don’t worry.’
En weer voel ik een korte rilling.
De volgende dag lopen we op de markt waar plotseling iedereen begint te schreeuwen en te rennen. Een paar mensen worden doodgeschoten. Wat me opvalt is dat als mensen wegrennen in doodsangst dat ze beginnen te lachen.
Als we naar Zaïre willen vluchten, horen we dat er op de grens twee treinen zijn opgeblazen. Dan maar naar het oh zo veilige Soedan.
We hebben geld nodig en krijgen op de zwarte markt, in de kelder van een kledingwinkel, een vijf keer voordeligere koers voor de Oegandese shilling ten opzichte van de officiële bankkoers. We verstoppen de vele biljetten in onze onderbroeken. De portemonnees zijn te klein.
Nadat we drie weken hebben gewacht op ons Soedanese visum en de stad rustiger is geworden, zonder dat iemand weet wat er precies gebeurt, vertrekken we.
In het noorden van Oeganda lijkt alles kalm, wij ook, en we besluiten nog even een safari te gaan doen voor 25 gulden per week. Waarom niet?
Op safari ontmoeten we in een ‘lodge’ de nieuwe Miss Oeganda die een opvallende belangstelling voor Ruud ten toon blijkt te spreiden, maar ongelukkigerwijze uit onze hotelkamer weg wordt gemanoeuvreerd door overijverige fotografen en mensen van het Oegandese Bureau voor Toerisme.
Wat moet zo’n mooie Miss ook met een ex-gedetineerde?
Op de Nijl
Na de jungletocht gaan we per vrachtwagenkonvooi de grens over langs gevaarlijk dronken grenswachten teneinde door te reizen naar Juba, Zuid-Soedan. Vanaf daar worden we aan boord van een boot op de Nijl geïnterviewd en gefilmd door een BBC-ploeg en komen we terecht in de documentaire ‘Great river journeys’. Deze wordt, inclusief bovenstaand verhaal van dit 25-jarige jochie, een jaar later door de BBC uitgezonden, ook in Nederland.
Op de Nijlboot word ik gedurende enkele dagen en nachten overvallen door ongecontroleerde trillingen door mijn hele lijf.
Later zou ik begrijpen dat als een mens in levensgevaar verkeert, het lichaam in de overlevingsstand komt te staan, zich vernauwt, geen angsten ervaart, en dat de tijdelijk geparkeerde emoties later in het leven terugkeren als psychosomatische reacties die tijdens het levensgevaar niet mochten worden gevoeld. Je moet dan namelijk handelen om te overleven en dat is onmogelijk als je bevangen bent door angst. Een nuttig instinctief beschermingsmechanisme waarop je geen enkele invloed kunt uitoefenen.
Het gebeurt.
Nieuw besef
We hebben het overleefd.
Waarom wíj wél die nacht en duizenden Oegandezen niet?
Wat is dit vlammende onrecht?
En nu?
Nu is het een spannend verhaal, een verbijsterende herinnering en een mooie BBC-documentaire.
En vooral is het een blijvend diep besef van het dunne breekbare onzekere koordje van de tijdelijkheid waar ieder mens in zijn leven tastend overheen loopt.
Als ik vandaag naar mensen luister, hóór ik vele gedachten vol vertrouwen die denken dat ze op een brede vanzelfsprekende levensweg wandelen met ruimte voor iedereen.
Net zoals ikzelf dacht voordat die soldaten met geweren op de hotelkamer stonden. En vóórdat ze zeiden dat we ons géén zorgen hoefden te maken.
‘Don’t worry.’
Vóór 26 februari 1982 was het leven anders, héél anders.
Tenminste, dat dácht ik.