125. Poëzie 7. De jongen

‘Ik ben bang’,
zegt de jongen.
‘Goed’,
zegt de man.

‘Ik haat’,
zegt de jongen.
‘Prima’,
zegt de man.

‘Ik ben zó verdrietig’,
zegt de jongen.
‘Mooi’,
zegt de man.

‘Ik wil dood’,
zegt de jongen.
Gedoofd.
‘Prachtig’,
zegt de man.
Stralend.

‘Wat moet ik doen?’
vraagt de jongen.

‘Loop door’,
zegt de man.

‘Dan verlies ik alles’,
zegt de jongen.

‘Juist’,
zegt de man.
‘Verlies alles.
Wees angst.
Haat.
En wees verdriet.

Verdrink.
Sterf.
En verlies alles.

Daarom ben je hier ooit gekomen’,
zegt de man.

En de jongen daalt
gedoofd en met gesloten ogen
zijn eigen graf in.
Loopt door, verliest alles, loopt door.
En .… klimt er aan de andere kant weer uit.

Stralend!

Plaats een reactie