126. Poëzie 8. Een vader

Ze zeggen:
‘We hebben het niet voor het zeggen’
en
‘Het wil maar niet zomeren’
en
‘Ik lust wel een wijntje.’

De scherpe pijn
in de leegte
om hem heen
treft hem diep.

De storm blaast hem 
door laaiende vuren
en spuwende slangen
verwonden zijn gelaat.

Geblakerd en bevuild
staat hij onbeschermd
in de zon.

De regen klettert
als harde kogels
op zijn huid.

Hij strompelt door
de zuigende modder
van het moeras.

Hij beklimt de hoge top
plant de vlag
en heft zijn armen.

Terwijl hij strijdt voor alles wat hij liefheeft
vraagt hij zich radeloos af:
‘Doe ik het wel goed genoeg?’

Dan kijkt hij in de vragende ogen van zijn kind
en zegt:
‘Loop maar door. Ik hou je vast. Ik vang je op.
Zolang als nodig.’

En het kind loopt.
En klatert van bewondering:

‘Mijn vader kan ALLES!’

Plaats een reactie