26.
Als je niet alleen durft te zijn, zeg je in feite tegen de ander:
‘Neem bezit van mij!’
27.
Eenzaamheid ontstaat als je ontkent wat er op dit moment is
28.
Als je alleen durft te zijn, is iedereen altijd hier
29.
Als je bang bent voor eenzaamheid ben je het al
En bang
30.
Reageren
is in diepste zin aan de ander vragen
of je alsjeblieft mag bestaan.
31.
Gekwetst worden is:
hechten aan het idee
van goedkeuring door de ander
Het idee en de kwetsing zijn wederzijds afhankelijk
Als het idee valt
valt de kwetsing mee
32.
Een burn-out is het nog geen antwoord gevonden hebben op de vraag
‘Mag ik bestaan?’
Het is tevens de toegangspoort tot dat bestaan
33.
Ik denk, dus ik haat
34.
De situatie waarin hij nu zit, is niet zijn lot.
Het is het gevolg van alles wat hij heeft gedaan.
Er is dus niets meer aan te doen.
35.
Haar zoontje vroeg:
‘Hoe weet u dat?’
De moeder zei:
‘Ik gebruik mijn verstand en denk niet teveel na.’
Het jongetje dacht:
‘Hoe doe je zoiets nou?’
Hij keek naar zijn peinzende vader die zei:
‘Geen idee jongen, geen enkel idee.’
36.
De mens is niet geboren
met de verplichting
zich iedere tel
met zijn eigen gedachten
bezig te houden.
Toch doet iedereen dit.
37.
Eerst dacht Descartes: ik denk, dus ik besta
Eerst dacht ik: ik heb gedachten
Dan ontdek ik: gedachten hebben mij
En dan zie ik: er zijn gedachten
Wat een bevrijding!
Dat ik ze niet ben
Dat ik ze niet heb
Dat ze me niet hebben
Dat ze er zijn!
38.
Aandacht is een intens vuur dat al het overbodige verbrandt
In die aandacht ontstaat traagheid
En doeltreffendheid
Niet als methode, maar als natuurlijk verschijnsel
Iets wat vergeten is
Ontstolen
Ons geboorterecht
39.
Als Ik er ben, is geluk er ook
40.
Geluk en haast: kan dat samengaan?
Als gedachten denken dat ze daar moeten zijn?
Altijd maar dáár
Waar ze nooit zijn
41.
Toen hij stopte
met iets
van iemand
of van iets
te vinden
kwam geluk de kamer in
En de ander
42.
Hij vernietigde zijn eigen God op de brandstapel
En toen pas zag hij haar: de medemens
Zonder dat vuur had hij nooit kunnen liefhebben
43.
God is liefde
Het idee van God is oorlog
44.
De gelovige zegt: God bestaat
De ongelovige zegt: God bestaat niet
Beiden hechten aan hun beeld
en vanuit deze hechting ontstaat de haat
45.
Als een gelovige zich gekwetst voelt door de belediging
van zijn God, zijn boek of zijn profeet
eigent hij zich een bezit toe dat niet van hem is
En ook niet bezeten kan worden
46.
God kan alles
Doet alles
Zegt men.
Dus ook applaudisseren.
En minachten
En wat doet hij dan als hij al die gekwetste gelovigen ziet?
47.
Als men het woord ‘God’ alleen maar noemt
ontstaat er al enig wapengekletter
in het hoofd van de gesprekspartner
Gelovig of ongelovig
48.
Godsdienst heeft niets met religie te maken
Godsdienst is louter vasthouden aan een idee
Religie is het vernietigen van dat idee
49.
De mens heeft religie niet uitgevonden
Hij is er in geboren
Daarna heeft hij de godsdienst uitgevonden
Toen ging het mis
50.
Ieder mens die uitspraken doet over de Koran of de Bijbel
zegt daarmee niet zozeer iets over die boeken
alswel over zijn eigen niveau van mens zijn