101.
Een probleem is geen obstakel.
Het is een deur
naar een grotere wereld
102.
Als je geen problemen hebt met je emoties
heb je ook geen problemen in de wereld
Ze zijn er wel
maar je hebt ze niet
103.
Zonder je problemen
was je nooit gegroeid
en nooit zover gekomen
Omhels ze!
Maar niet te strak
Ze hebben ruimte nodig
om te bestaan
En weg te zweven
104.
Ieder probleem
ieder conflict
iedere scheiding
iedere oorlog
iedere angst
En iedere dood
Is uiteindelijk
alleen maar
een gedachte
En … wát voor gedachte!
105.
Als de reiziger veel reist
merkt hij al reizende
dat de reis pas begint
als hij stilstaat.
106.
Het regent
De regen valt vanzelf
Er is in of achter de regen geen ‘Regenaar’ of ‘Regener’ die dit doet
Net zomin als er een ’Ik’ is die denkt of doet
Ik doe niets, terwijl alles gebeurt
Het regent
Het gebeurt
107.
Aanvaard de pijn en angst die je ooit hebt ontvangen
waardoor je de liefde wordt die je nooit hebt ontvangen
108.
Als de reiziger op reis is
komt hij na verloop van tijd
tot de ontdekking
dat hij zijn thuis nadert
En hoe verder hij reist
hoe meer thuis hij komt
109.
Als je heel goed in iets wilt worden
moet je erdoor geobsedeerd zijn
Hoe groter je obsessie voor iets is
hoe beter je erin wordt
110.
Als op de grensovergang de politie al zijn bagage steelt en de reiziger naakt achterblijft,
grijpt hij naar een stok om zich te wapenen.
Het stelen: wat een gemeenheid!
De bagage: wat een zwaarte!
De stok: wat een bescherming!
De naaktheid: wat een bevrijding!
111.
Onder het luide geraas van de wereld
graaft de reiziger
hardnekkig
zijn gang
naar het kleinste stille beekje
dat volgens oude verhalen daar ooit moest hebben gestroomd
Als hij wanhopig zijn pogingen opgeeft
en uitgeput
terugkeert
naar het lawaai van de wereld
hoort hij plotseling
in dat lawaai
de stilte
En het stromen van de beek
112.
Als de man veel wil neuken, stelt hij de de ontmoeting uit
En zij
113.
Als hij seks gebruikt om intimiteit tegen te houden
zadelt hij zijn nageslacht op met pijn
Al zaadlozend
114.
De geilheid van de hoerenloper houdt zijn kilte in stand
terwijl hij de warmte zoekt die hij vreest
115.
De exhibitionist smeekt de toeschouwer
om datgene goed te keuren
wat hij zelf afkeurt
116.
Een transseksueel zit niet in een verkeerd lichaam
Hij zit vastgeplakt op het beeld dat hij niet is
117.
Altijd als haar gesprekspartner haar aanvalt met woorden
antwoordt ze met stilte
Niet dat ze niets zegt
maar ze laat de stilte aan het woord
118.
Stilte is hetzelfde als innerlijk alleen zijn
terwijl je in gezelschap verkeert
119.
Een goede luisteraar is stilte
120.
De echte luisteraar hoort wat niet gezegd wordt
terwijl hij luistert naar datgene wat gezegd wordt
121.
We kunnen alleen geluid horen
omdat er altijd iets is wat geen geluid maakt.
122.
Als je je laat absorberen door datgene wat je niet bedenkt
dan ben je aldoor thuis.
123.
Thuis zijn is: zijn op de plek waar je nu bent
124.
Als je alleen thuis zit, is de hele wereld aanwezig
Omdat je alleen bent
125.
Zijn verlangen werd niet bevredigd
en hij reageerde niet
Toen werd het stil
Wat zijn verlangen was