153. Ontmoeting 1. In Buitenhof op straat

‘Kuthoeren! Jullie zijn allemaal homo!’
‘Nee jôh, meisjes zijn geen homo, die zijn Libisch’, corrigeert zijn vriendje.
Ik loop langs een groepje wild gebarende en schreeuwende jongens van tien à twaalf jaar oud. De oorzaak van hun consternatie is een groep meisjes van dezelfde leeftijd die op vijftig meter afstand hetzelfde leerproces doorloopt.
Wat doet een argeloze voorbijganger als ik in zo’n geval?
Laat ik het anders zeggen: wat zou u doen?
Corrigeren? Lachen? Bang worden? Wegrennen? Bemiddelen? Schelden? Zwijgen? Slaan? Huilen? Schreeuwen? Zenuwachtig giechelen en jolig op en neer huppelen?
De mogelijkheden om de boel op te lossen of te laten escaleren zijn eindeloos, dus is het zorgvuldig koorddansen geblazen, zo schat ik sluw en vliegensvlug de schreeuwende situatie in.
Nou ben ik een wereldverbeteraar met een nogal twijfelachtige reputatie als het gaat om effectieve, op resultaat gerichte vredesaanpakken, dus wíl ik wel iets doen, maar weet zo gauw niet wát. Toch kan ik dit buitenkansje niet laten liggen.

En gebeurt het volgende.

Ik spreek sussend: ‘Jongens, doe eens wat aardiger tegen die meisjes. Ze zijn hartstikke lief.’
Eén jongen draait zich naar me toe en vraagt: ‘Weet u wat klaarkomen is?’
Een ander: ‘En porno? Weet u wat dat is? En neuken?’
Hij vertelt me dat ze een nieuw vak hebben in groep 8. ‘Dus ik weet die dingen’, zegt hij trots.

Elf jaar ….

Voor het invoeren van geweldloze communicatie besluit ik dat het nu handiger is dat ík de vragen stel, dus vraag ik aan een jongen met een bal aan de voet:
‘Wie van jullie is de beste?’
Eentje roept zelfverzekerd: ‘Ik, meneer!’
‘Hoeveel keer kun je een balletje hooghouden?’ vraag ik.
Hij zwijgt, pakt de bal en dan … transformeert de wereld.
Eén brok concentratie, binnen een tel. Iedere jongen is nu stil.
Na zijn optreden complimenteer ik hem en zeg dat hij vooral veel moet blijven oefenen. Dan loop ik weg en van een veilige afstand roepen ze me keihard na:
‘Dank u wel, meneer! Fijne dag voor u!’
Ze ménen het.
Opgelucht loop ik door en denk:
Onder ieder hard scheldwoord zit een verlegen jongetje dat wil laten zien dat hij iets goed kán. En voor dat kúnnen, dáár vraagt hij erkenning voor.
De meisjes intussen, zij naderen de niet meer scheldende jongens.
En zij kijken.
En de natuur, zij knipoogt. En ziet dat het goed is. Héél goed.

Plaats een reactie