Het 10-minuten gesprek voor het 3e rapport is achter de rug.
Onweer: 6 onvoldoendes.
Ze zitten naast elkaar. Nacht en dag. Gegroefd gelaat, doffe ogen, gekromde schouders naast ‘gedjeld’ haar, glinsterende ogen en zin in alles. Niet in leren.
Hij zegt Thom even buiten te wachten. Hij is nog niet klaar. Thom wel. Verlaat de kamer. Huppelend.
Ik probeer:
“Hij is nog jong, soms hebben ze een jaar extra nodig, moet nog rijpen, intelligent genoeg, goed karakter, komt er wel, aardige jongen.”
Maar zijn andere zoon. Daar wil hij het over hebben, over de basisschool.
“Hij doet het goed. Helpt iedereen. En leren, meneer, zo goed. En zo serieus. Nooit problemen. De oogappel van zijn moeder.”
Het is alsof hij naast hem zit.
Tot die auto hem schepte.
De dood van zijn zoon leeft door in zijn lichaam. Alsof ook hij tegen die auto liep, ook hij werd geschept. Buiten klinkt geren en gelach. Thom leeft door.
“Geen probleem, Mees. Nooit”. Zo verzekert hij me na iedere onvoldoende.
“Nee, nooit”, zegt vader. “Het komt nooit meer goed. Dit kán je niet goedmaken. Hij komt nooit meer terug.”
Met zoveel verdriet leven kan niet. Zonder hoop ook niet. Dus moet een ander het doen. Terugkomen. Zo wórden. Hij heeft nog steeds twee zonen. Ziet ze beiden niet.
“Ik zeg altijd: doe je best, we hebben alles voor je gedaan, wees succesvol, verdien goed geld later en: haal nu goede cijfers. Maar Thom snapt er niets van.”
Thom snapt alles. Hij weigert deze leugen te zijn, weigert zijn broertje te zijn, weigert dood te zijn. Daarom zes onvoldoendes, daarom huppelend naar buiten, daarom zin in alles, daarom niet in leren. Iedere onvoldoende schreeuwt: “Laat me leven! Míjn leven.”
De opmerkingen van de rapportenvergadering verzwijg ik:
“Thom moet harder werken. Kan het wel, maar denkt dat het allemaal vanzelf gaat. Vindt meisjes erg leuk. Zit meer in. Is erg druk. Lacht veel.”
Hij komt er wel, Thom.
Hij is er al.
Nu wij nog.
Dan komen die voldoendes vanzelf.