Ik zie in de prille voorjaarszon een groepje frivole dames in dikke winterkleding aan komen fietsen, ik geef een noodzakelijk stopteken, en zeg:
‘Dag dames, wat doen wij hier?’
‘Fietsen, meneer.’
‘Fietsen ja, maar in wát?’
‘In winterkleding, meneer.’
‘Juist. En mag dat van mij, die winterkleding?’
‘Nee meneer, dat mag niet van u.’
‘En waarom mag dat niet van mij, dames?’
‘Omdat het vandaag volgens u exact 18 graden is en dientengevolge winterkleding op de fiets verboden is, terwijl lenterokjes verplicht zijn met dit weer, meneer.’
‘Aha! Heel juist! En wat betekent dit dames?’
‘Dat wij in overtreding zijn, meneer.’
‘Juist! En wat gaan de dames hieraan doen, denken ze?’
‘Onze winterkleding uittrekken, meneer.’
‘Juist! En is dat voldoende, dames?’
‘Nee meneer.’
‘Dus wat gaan de dames daarna doen?’
‘Onze lenterokjes aandoen, meneer.’
‘Juist! En niet meer doen hè, die winterkleding?’
‘Nee, meneer.’
‘Heel juist!’
‘Dank u wel, meneer!’
‘Geen dank, dames.’
‘Dag meneer!’
‘Dag dames.’