167. Ontmoeting 15. Het andere leven

Mijn vader was niet altijd even voorspelbaar.
Als echtgenoot.
Om het zo maar eens te zeggen.
Vok Otjes werkte op het gemeentehuis.
Als ambtenaar.
Om het zo maar eens te zeggen.

Iedere dag, vijf dagen per week, reed Vok Otjes voorbij ons huis.
En ’s ochtends,
iedere ochtend,
vijf ochtenden per week, 
reed Vok Otjes exact om tien voor negen voorbij ons huis,
regenjas aan, ook bij zon,
hoofd gebogen, doelgerichte blik, gekromde rug,
en vol broodtrommeltje met twee elastiekjes eromheen
achterop de bagagedrager.

En ’s middags,
iedere middag,
vijf middagen per week,
reed Vok Otjes exact om tien over vijf weer terug,
voorbij ons huis, 
regenjas aan, ook bij zon,
hoofd gebogen, doelgerichte blik, gekromde rug,
en leeg broodtrommeltje met twee elastiekjes eromheen,
achterop de bagagedrager.

Op zo’n middag, om exact tien over vijf,
toen mijn vader niet precies wist dat het exact tien over vijf was,  
zag ik mijn moeder voor het raam naar buiten staren,
naar Vok Otjes, 
naar de regenjas, 
in de zon,
naar het gebogen hoofd, 
naar de doelgerichte blik,
naar de gekromde rug, 
naar de fiets, 
naar het lege broodtrommeltje,
naar de twee elastiekjes eromheen, 
naar de bagagedrager.
En naar exact tien over vijf.

En toen hoorde ik de diepste tenen van mijn moeder verzuchten:
‘Was ik maar met Vok Otjes getrouwd ….’

Plaats een reactie