169. Ontmoeting 17. Bij de kapster

Ik ben een gewone man, woon alleen, doe mijn werk, en leid een onopvallend bestaan.
Een paar keer per jaar ga ik naar de kapper. Gewoner en normaler bestaat niet.
Dacht ik.
Ik stap de stille kapsalon binnen waar een knappe kapster mij reeds opwacht.
Met een handgebaar nodigt ze me vriendelijk uit plaats te nemen. Op mijn gemak en overtuigd van mijn onschuld geef ik me over aan de bekwame handen van de ongetwijfeld vraaggrage knipster.
‘Wilt u koffie of thee of iets anders?’ begint ze haar reeks.
Ik voel mij gezien en gewaardeerd, ontspan me en ben vast van plan van haar aandacht te genieten.
‘Water graag.’
Haar mooie ogen worden iets groter, maar ze voldoet aan mijn verzoek.
‘Hoe wilt u het hebben?’
‘Alles heel kort geschoren, het kan wel met de tondeuse, op vier millimeter.’

Haar wenkbrauwen trekken iets op, haar sensuele lippen verwijden zich, maar sluiten zich weer. Mijn spieren ontspannen zich nóg iets meer.
Met enige luidruchtigheid pakt ze haar kapspullen.

Dan …. voltrekt zich mijn noodlot.

‘Zo meneer, lekker meivakantie zeker? Allemaal leuke dingen gedaan al?’
‘Nou, liever doe ik niets. Ik hou van traag leven. Dan voel ik mijn voeten op de aarde lopen, hoor plotseling geluiden die ik daarvoor nooit waarneem en merk dat ik meer in mijn lichaam ga leven. Dan word ik gelukkig.’

Stilte. Ze stopt.

‘Er mag nog meer af hoor.’

Iets harder drukt de tondeuse op mijn schedel.

‘En u kijkt zeker ook naar al die leuke series op tv? Welke series vindt u leuk?’
‘Nee, mijn tv doet het al een paar maanden niet en dat bevalt me eigenlijk wel. Ik laat het dus voorlopig maar zo.’

Ze stoot tegen mijn glas water, dat valt, ze bukt, richt zich op en roept:

‘Sorry meneer, ik haal een nieuw!’
‘Laat maar hoor, ik heb genoeg gehad. Dank u.’

Ze herstelt zich en keert terug tot haar kerntaak.

‘Enne …… binnenkort ook gezellig met de familie op zomervakantie?’

De druk neemt toe.

‘Nee, dat niet. Ik woon op mezelf en vind het heerlijk in deze tijd de rust op te zoeken, te mediteren en alleen te zijn.’

De tondeuse wordt pijnlijk.

‘Woont u hélemaal alleen?’
‘Niet helemaal. Er woont ook nog een Afghaanse jongen bij me, een oud-leerling. Die komt een paar keer per maand langs en blijft dan eten en slapen.
‘Auw! Niet zo hard graag.’
‘Sorry meneer.’
‘Wilt u nog koffie!’ schreeuwt ze plotseling.
‘Nee, dank u. Kunt u iets voorzichtiger scheren graag? Dank u.’

Ze loopt even heen en weer, zoekt iets, vindt het niet, keert terug.

‘Enne, nog even gezellig ‘gestad’ en boodschappen gedaan, zie ik’, wijzend naar mijn tas.
‘Ja, daar zit de nieuwe vertaling van de heilige Koran in en een paar Zen boeken.
In de Koran staat dat een man vier vrouwen mag hebben. Ik probeer die richtlijn aan te houden’, zeg ik schalks.

‘AUW!’

Een paar druppels bloed vallen op mijn oor, de tondeuse op de grond.
De kapster rent weg.
Na enige minuten komt ze terug, verontschuldigt zich, poetst iets weg en maakt haar zware karwei af.

Tijd voor de afrekening.

Ik sta op en in gedachten vliegen de andere kapsters op me af en drukken me tegen de grond. De deur zwaait open en agenten stormen naar binnen. Zonder vragen worden me de handboeien omgedaan, ik meegesleurd, de overvalwagen ingeladen, doek voor de mond.
Dat was me nóg een keer overkomen, lang geleden, op reis in Kampala, Oeganda, staatsgreep, stad omsingeld, toen verdacht van terrorisme. Dat had ik de kapster nog niet verteld. Ik vrees dat de aanklacht dit keer zwaarder zal zijn.
Inderdaad, het valt niet mee om een gewone man te zijn, alleen te zijn, een onopvallend bestaan te leiden. En gelukkig te zijn.

Plaats een reactie