Op school leerde ik me vroeger te pletter, maar begreep lang niet alles. Soms dacht ik dat ik dom was, omdat ik de zinnen van leraren maar niet snapte, terwijl ik dacht dat alle andere leerlingen ze wél begrepen.
Zo hoorde ik tijdens een geschiedenisles op de OLS:
‘De nijverheid kwam er tot grote bloei.’
Nijverheid.
Ik zag voor me een grote hal met naaimachines met daarachter nijver naaiende vrouwen. En omdat vrouwen van bloemen houden, dacht ik, namen ze naar hun nijvere naaiwerk allemaal bosjes bloemen mee die dan in die grote hal tot bloei kwamen. Zo probeerde ik zwetend en amechtig (amechtig? amechtig!) de taalkundige werkelijkheid onder controle te krijgen. Tevergeefs.
Bij een aardrijkskundeles op de middelbare school las ik eens de zin:
‘Het riekt er naar kolonialisme.’
Mijn probleem begon al meteen bij het begin van de zin, want wat is ‘Het’?
Dan: wat is ‘riekt’?
Daarna: waar is ‘er’?
En tot slot: wat is ‘kolonialisme’?
Inmiddels was de aardrijkskundejuf met de klas al een paar bladzijden verder en was ik nog bezig me vragen te stellen waar kennelijk niemand anders mee bezig was.
Onlangs volgde ik een opleiding tot stadsgids. Na een eerste kennismaking met de spreker en de medeleerlingen, krijgen we het eerste boek voor onze neus dat we gezamenlijk gaan doornemen. We lezen:
‘De blazoenering zegt dat het wapen van zilver was met een pal van sabel.’
Ik kijk om me heen. Niemand zegt iets, iedereen leest gewoon door.
Ter plekke word ik acht jaar.
En gister ging ik chique dineren in de stad. Dus: de menukaart lezen. Afijn, ik open de kaart en ontwaar het hoofdgerecht dat heet: ‘Makkers staakt uw wild geraas’.
De kaart vervolgt:
‘Een delicieus gerecht met een Sashimi van Albacore tonijn, een vadouvan of wasabi saus, wakamé op een bedje van tempura garnaal, kikkoman getopt met tomaten relish, en een gratine van limoncello.’
Zwetend sluit ik de kaart, de ober komt langs en ik zeg:
‘Doe mij maar een patatje oorlog.’