177. Ontmoeting 25. Op een straatbankje in den Haag

Zwoegend zweet hij zich door de stad. 
Het is warm en hij is dik.
Ofschoon er ruimte is voor zeker tien andere mensen, laat hij hijgend zijn zware lichaamsvlees vlak naast mij vallen, op het straatbankje op de Lange Poten in den Haag centrum.
Hij kijkt me aan en vraagt uit het niets: ‘Vindt u mij erg dik?’
Ik antwoord: ‘Ja, ik vind u dik, erg dik, inderdaad.’

Ofschoon ik de man nooit eerder heb gezien, dringt een nieuwsgierige intuïtie zich aan mij op die geheel zijn eigen gang gaat zonder dat ik me ermee bemoei. Het is alsof ikzelf ter plekke boven het bankje en de twee mannen hang, terwijl ik kijk en luister naar het gesprek van deze twee mensen die de wonderlijke indruk wekken elkaar al jaren te kennen. Deze tegenstelling van kennen en niet-kennen is in dit moment de gewoonste zaak van de wereld.
Dan neemt een prangende noodzakelijkheid het gesprek over en hoor ik mijzelf vragen:

– Heeft al dat vet nog voordelen?
– Jazeker.
– Welke dan?
– Waar vet is, voel ik tenminste niks.
– Dus uw vet is weggestopt gevoel?
– Ja. Sterker nog: doodgemaakte emotie.
– Welke emotie maakt het vet in u dood?
– Dat weet ik niet. Ik ken dat gebied niet.
– Wat is het ergste dat er in uw leven is gebeurd?
– Dat er niet van me is gehouden.
– Hoe komt dat?
– Ik denk dat ik hun liefde niet waard was.
– Dus u geloofde dat u het niet waard was om van te houden?
– Inderdaad.
– En dit gelooft u nog steeds?
– Ja.
– Met deze liefdeloze gedachte loopt u dus nu al uw leven lang rond?
– Precies.
– Wat is het voordeel van dit geloof dat u het niet waard was om van u te houden?
– Dit geloof is bekend en vertrouwd voor mij.
– Dus ergens bevalt het u wel?
– Ja, ergens wel, ja.
– Wat levert dit geloof u op?
– Ik kan me verschuilen.
– Waarachter verschuilt u zich?
– Achter mijn slachtofferschap en mijn vet.
– Wat wil het slachtoffer?
– Gestraft worden.
– Hoe straft het slachtoffer zichzelf?
– Door een hekel te hebben aan mezelf maak ik mezelf dik, lelijk en vervelend voor anderen.
– Wat is het doel hiervan?
– Dan krijgen anderen net zo’n hekel aan mij als ik aan mezelf.
– Lukt dat?
– Ja, ze wenden zich van me af of lachen me uit.
– Hoe voelt dat?
– Dat voelt bekend en vertrouwd en ik word bevestigd in de gedachte dat ik deze straf verdien.
– Wat blijft er over na uw verdiende straf?
– Liefdeloosheid en eenzaamheid.
– Hoe voelt dat om hiermee te leven?
– Ik voel dat niet zo, omdat al dat vet het voelen blokkeert.
– Wat zou er gebeuren als dat vet er niet zou zijn?
– Dan zou ik sterven.
– Weet u dat zeker?
– Nee, maar daar ben ik bang voor.
– U bent dus bang om te sterven en om uw sterven voor te zijn, sterft u liever van de eenzaamheid die u niet voelt?
– Ja.
– Interessant. Hoe zou u leven als u deze gedachte niet had?
– Dan zou ik vrij zijn, maar dat boezemt mij angst in.
– U bent dus zowel bang om te sterven als bang om vrij te zijn?
– Ja, dat klopt.
– Uw bange gedachten zetten u muurvast. Er is geen beweging meer in te krijgen, ze zijn vastgeroest door zichzelf steeds te herhalen op steeds dezelfde manier.
– Dat ziet u goed.
– Dat is niet zo moeilijk. U laat het zelf aan me zien. Ik begrijp dat u hier liever mee doorgaat dan dat u hulp zoekt?
– Ja, dat is waar. Toch zou ik graag van u willen weten wat u nu bij mij ziet.
– Weet u dat zeker? Wat ik ga zeggen zult u namelijk niet leuk vinden. Het risico bestaat dat u mijn duiding zult opvatten als een straf.
– Maakt u zich geen zorgen. Ik vraag u vriendelijk geen blad voor de mond te nemen.
– Oké, dan moet u het zelf weten. Hier komt ie.
U gelooft heilig in slechts één liefdeloze gedachte. Deze ene gedachte was ooit van iemand anders en had niets met u te maken. Door het geloof in deze ene gedachte, die oorspronkelijk niet van u is, leidt u nu dit letterlijk zware leven dat een voortdurende straf is voor u, aangezien u de rol van slachtoffer verkiest boven degene die u werkelijk bent.

U ervaart liever de pijn die vertrouwd is dan het geluk dat onbekend is.

Hiermee blijft u loyaal aan uw ouders die niet van zichzelf hielden en dus niet voldoende van u konden houden. Uw ouders zijn dood, maar u houdt iedere tel hun liefdeloze gedachten vast die ze in woorden naar u toe hebben gegooid en die u vervolgens heeft ingeslikt. Hun woorden zitten nu in uw hoofd. Dat is op zich niet erg, alleen wat wél erg is, is dat u die woorden bent gaan geloven en ernaar bent gaan leven. U houdt zodoende uw ouders voortdurend bij u, iedere tel van uw leven. Zij bepalen nog steeds uw leven, zij zijn nog steeds volledig aanwezig, terwijl u hierdoor zélf verdwenen bent. Uw innerlijke gevoel lijkt verdwenen, net zoals hún gevoel naar u was verdwenen, omdat hun gevoel naar henzelf was verdwenen.
En net als uw ouders ú hebben verlaten door u te veroordelen en niet te aanvaarden zoals u bent, verlaat u uw eigen gevoelens door deze te veroordelen en niet te aanvaarden zoals ze zijn. Dit is één en dezelfde beweging. Zo buiten, zo binnen.
Het is de liefdeloze, niet-aanvaardende gedachte die zegt dat u niet goed genoeg bent om van te houden en daarom al dit vet produceert. Uw vet is uw zelfhaat en uw zelfbescherming. Zo creëert u de self-fullfilling prophecy dat u minderwaardig bent en dat u de liefde niet waard bent, niet van uw ouders, niet van uzelf, en niet van andere mensen. Daarom houdt u andere mensen ook op afstand. U vindt namelijk andere mensen ook niet goed genoeg, daarom veroordeelt u ze, net zoals u uzelf veroordeelt, en net zoals uw ouders u veroordeelden.
U beschouwt zichzelf als óf minderwaardig óf meerderwaardig, u gaat óf erboven óf eronder staan. Gelijkwaardig contact probeert u te allen tijde te vermijden, omdat dan de pijn te dichtbij komt.
Als we dit gedragspatroon naar dit gesprek voortzetten dan bent u slechts tijdelijk open naar mij, omdat u weet dat wij elkaar niet kennen, dat onze wegen zich weer gaan scheiden, en omdat u weet dat u mij hierna nooit meer zult zien. Ik ben dus tijdelijk veilig voor u, omdat ik een onbekende voor u ben.
Uw oordelen over uw medemens en uw meerderwaardigheids- en minderwaardigheidsgedachten zijn net als al dat vet: het is de bufferzone die u voor uw gevoelswereld zet. In het afstand scheppen tot en in uw oordelen naar uw medemensen probeert u de illusie te creëeren dat u veilig bent.
En inderdaad, vet en oordelen komen beide voort uit illusies, beide komen voort uit ontkende pijn, en met deze vermijdingsstrategie probeert u uw eigen waarheid, uw eigen echte gevoel te ontvluchten.
Tot slot:
ziet u nu dat uw geloof in slechts één gedachte uw lijden in stand houdt en dat al het andere in uw leven uit deze ene gedachte voortvloeit? Het is het perfecte recept om in de puree te raken.

Hij blijft lange tijd stil en beweegt niet.
Dan haalt hij diep adem, kijkt me aan en zegt:
– Dit wilde ik horen. Mag ik vragen wat uw beroep is?
– Ik ben bezoldigd gesprekspartner.
– Da’s een mooi beroep.
– Hier heeft u mijn kaartje. U kunt me bellen wanneer u wilt, maar ik geef u één advies:
bel me alleen als u die ene gedachte helemaal en totaal zat bent. Dat u hem liever uitkotst dan dat u hem nog één tel langer vast wilt houden. Niet eerder.
– Dat zal ik doen.
– Oké, afgesproken. Ik wens u al het goede en liefdevolle.
– …….

Als ik opsta en weg wil lopen, pakt hij plotseling mijn arm vast.
Ik voel zijn hand trillen.
Hij wil iets zeggen, maar slikt het weg.
Dan knijpt hij harder in mijn arm met zijn nu nóg sterker trillende hand
En buigt zijn hoofd.
Ik wacht tot hij loslaat, kijk hem nog even aan en vraag: ‘Hebt u hulp nodig?’
– Nee, liever niet, het gaat wel, dank u, gaat u maar.
Op zijn advies loop ik weg.

Dit is inmiddels vier jaar geleden.
Hierna heb ik de man nooit meer gezien.

Plaats een reactie