179. Ontmoeting 27. Op terras in Amsterdam

Terras, Amsterdam, Oude Zijds Voorburgwal.
Op het snijpunt van dagelijkse gewoonheid en dreigend gevaar.
Tegenover mij schreeuwen ‘mannen’ van vijftig zich de longen uit het dronken lijf: ‘Liverpool, Liverpool!’ Na deze kreet geven ze elkaar een high five, boeren nog wat in hun bier, en vallen vervolgens hersenloos stil bij gebrek aan nieuwe vocabulaire.
Ik neem een slok van mijn Hero cassis (‘dat is dan €5,50, meneer’) en kijk om mij heen.
Door hun verbergende uiterlijk heen zie ik hoeren, pooiers, gajes, oplichters, gespuis, en smachtende toeristen die rieken naar roofdieren.
Dan komen vier jonge jongens aanlopen. Korte broekjes, beugeltjes, verlegen nieuwsgierige blikken. De hiërarchie is helder. De Aanvoerder ziet vrije stoelen en wenkt de anderen ernaar toe. Zijn twee Soldaten volgen gedwee. De vierde, de Denker, wacht af. Hij gaat als laatste zitten en krijgt de beste plek, als informele leider.
Mijn onderwijsblik schat in: veertien jaar, vlak voor de zomervakantie van tweede naar derde klas. Als ik ze hoor praten, weet ik het: niveau Havo.
Jongens.
Op de rand van veiligheid en opwinding, van thuis en avontuur, van geborgenheid en verwonding. Ik zie hun moeders voor me: nachtelijk wakker en onrustig wachtend op het geruststellende telefoontje: ‘Ik ben bijna thuis, mam. Tot zo.’
Maar jongens bellen niet. Ze lachen, kijken stiekem om zich heen en dénken dat ze mensen zien. En zien niet hoe stinkende eeuwenoude wilde beesten zich grommend om hen heen verzamelen.
‘Wat mag het zijn, heren?’ vraagt de bloedmooie donkere serveerster die iedere Liverpool supporter in de houtgreep heeft.
‘Vier cola’, zegt de taakgerichte Aanvoerder, ‘met een rietje graag.’
Terwijl onmetelijke ontroering en beschermingsdrang zich van mij meester maakt, slijpt het rapalje zijn messen, kwijlen temeiers hun geilheid en loeren rovende laaielichters op nieuwe slachtoffers om ze scheurend te verzwelgen.
En net op het moment dat het oerwoud grommend zijn blinde verse prooien omsingelt, klinkt gerinkel uit een broekzak. De Denker pakt zijn iPhone, luistert, knikt, en zegt:
‘Ja, mam, alles gaat goed, we komen zo thuis. Doei.’

Een gedachte over “179. Ontmoeting 27. Op terras in Amsterdam

Plaats een reactie