180. Ontmoeting 28. Lunchtijd op de Markt

Op een bankje voor het stadhuis in Delft eet ik een broodje. Een oude man met alpinopet en oorlogskruis in scootmobiel stopt vlak voor me en kijkt me doordringend aan.

Hij: Ik heb hier om vijf uur een feessie.
Ik: Dan ben je vroeg, het is twee uur.
Hij: Die rotzak had geen tijd, zei hij, dus zette hij me hier af.
Ik: Je kan zelf niet lopen?
Hij: Nee, ze hebben me kapot geschoten in Nieuw Guinea.
Ik: Goed dat er scootmobiels zijn.
Hij: Er komen er straks nog meer, we hebben een veteranenfeessie hier in het stadhuis.
Ik: Gezellig.
Hij: Denk het niet.
Ik: Wat heb je op je handen?
Hij: Kanker. Komt van de napalm in Nieuw Guinea, zeggen ze.

Dan komt een oude manke man aangelopen, eveneens met oorlogskruis en alpinopet. Hij staat stil en ze kijken elkaar doordringend aan.

Manke man: Ben jij nou nóg niet dood?
Scootman: Jij gaat eerder. Wedde?

De manke man zet zich neer op het bankje naast mij en wijst naar de scootmobiel.

Manke man: Hoe kom jij nou straks in dat stadhuis met dat ding?
Scootman: Kom ik niet, ik blijf hier staan.
Manke man: Gelukkig, zijn we van dat geouwehoer af.
Scootman: Je weet toch wel waarom, hè?
Manke man: Ja, jij kreeg je oorlogskruis door de brievenbus, terwijl ik hem
van de koningin kreeg.
Scootman: Ja, ze houdt kennelijk meer van jou dan van mij.
Manke man: Dat weet ik wel zeker.

Ik: Nou, ik ga weer eens aan het werk. Tot kijk heren.
Scootman: Wat doe jij dan?
Ik: Oh, iets met toerisme.
Manke man: Mooie baan. Schieten ze je tenminste niet kapot.
Scootman: Nee, krijg je ook geen kanker van.

En bulderend lachend schieten hun kanonnen vol verborgen ammunitie zich leeg op het vredige marktplein.

Plaats een reactie