De straat en de wereld zijn van hem. Geen twijfel.
Hij staat met zijn autoped bij de uitgang van de winkel: ijsje, nieuwe sportschoenen, grote ogen en grenzeloos vertrouwen.
Moeder en oma komen naar buiten en roepen: ‘Kom, we gaan daarheen.’
Hij likt aan zijn ijsje en wacht tot moeder schijnbaar niet meer op hem let.
Dan vervolgt hij zijn weg.
Onstuitbare beweging van eigen leven.
Het drietal loopt en stept naar een marktkraam waartegen een ouderwetse autoped ter verkoop staat aangeboden. Ze blijven staan en bewonderen het mooie oude model.
‘Vindt u ook niet, meneer?’
Ik bevestig: ‘Ja, prachtig.’
We praten nog even door en dan wend ik me tot de ijsjeslikker:
‘Jij wilt zeker ook wel zo’n autoped hebben, hè?’
‘Nee!’, roept hij, luider dan zijn moeder hoopte.
‘Die van mij is veel mooier!’
Ik vraag: ‘Hoe oud ben je?’
‘Negen!’, roept hij, nóg luider.
Ik kijk hem aan en zie zijn levensverhaal van boompje klimmen en sneller hardlopen dan de anderen en dat hij alles kan en dat ik niet moet denken dat hij ook maar ergens bang van is en dat ik van zijn autoped moet afblijven.
Hij kijkt me aan als een uitdagende speler die nu al absoluut zeker is van zijn overwinning.
En in dat ‘Negen!’ klatert de autopettende wereldbezitter van top tot teen, door zijn ogen heen, van zijn nulde tot zijn negende: ‘Hier ben ik!!’
Ik kijk in mijn spiegel en zie een traan.
Die niemand ziet.