Op het perron van station Delft sta ik onder het bord met daarop in grote letters de eindbestemming van de trein: Lelystad.
Ik zie een vrouw langdurig de tekst op het bord bestuderen.
Ze stapt op me af en vraagt: ‘Gaat deze trein naar Lelystad?’
Afijn.
Ik stap in en in de coupé zit een voltallige familie die ik niet zie, maar wél hoor. Dochter roept hard:
‘Hé kijk, dat is net papa! Precies zulke kleren en ook ongeschoren en een bierbuik!’ Iedereen lacht.
Dan gaat een mobieltje af. Papa roept: ‘Jorien, doe uit!’
Mobieltje blijft doorgaan.
Vader roept harder: ‘Jorien, doe uit, zeg ik je!’
Mobieltje blijft doorgaan.
In mijn hoofd verschijnen beelden van afgrijselijk brutale pubers die hun machteloze ouders het leven zuur maken, zélf de dienst uitmaken en opgroeien voor galg en rad.
Ik zou het wel weten: erop meppen met harde hand, geen medelijden en koppen dicht. Klaar!
Het mobieltje en mijn irritatie bereiken hun hoogtepunt en luid roep ik door de coupé:
‘Hé, doe die herrie eens uit!!’
Stilte.
Meteen.
Bij de volgende halte stappen ze uit. Ze lopen voorbij en niemand kijkt me aan. Vlak voordat dochter de coupé uit is, hoor ik haar met zachte stem zeggen:
‘Nou, die meneer zal ook wel denken, eindelijk rust.’
Ik kijk achterom en zie het liefste gezichtje van de wereld dat me heel schuldbewust aankijkt. Ik smelt.
In mijn gedachten sla ik mezelf voor mijn kop en neem een besluit.
Ik ga tolerant worden.
Morgen begin ik!
In de trein naar Lelystad.