190. Ontmoeting 38. In het café

We zitten in een knus tederbruin café in de binnenstad aan de hete chocomel.
Ik mét slagroom, zij zónder.
Ze is, behalve vrouw, ook nog gedisciplineerd.

‘Hoe gaat het met je?’ vraag ik.
‘Alles,’ zegt ze.
‘En jij?’
‘Niks,’ zeg ik.
‘Oh, dat is mooi’, zegt ze, schietend in de lach, ‘da’s eigenlijk hetzelfde, hè.’

Ze is zo’n vrouw die alles meteen snapt. Dat vind ik lekker, bij de warme chocomel. We nemen nog een slok. Dan kijkt ze aandachtig om zich heen. Ze is ook nog zo’n vrouw die altijd eerst haar omgeving nauwkeurig observeert voordat ze die omgeving kan vergeten.
En zich veilig kan voelen.

‘Weet je, ik groeide op in een dorp waarin de een gelukkig was en de ander niet. In die wereld leerde ik dat als je gelukkig was dat je niet verdrietig kon zijn of pijn kon lijden.
Je was óf het een óf het ander.’
Ik: ‘Klinkt gezellig. Dus het waren allemaal aparte vakjes waarin de emoties gestopt waren? En de mensen zaten dus ook ieder apart in hun vaste hokjes?’
‘Precies’, zegt ze, ‘dus iemand die verdriet of pijn had, kon niet gelukkig zijn, en iemand die rouwde, kon niet blij zijn. Dus gingen mensen zich zo gedragen en werden het meer vaste herkenbare types dan mensen. De een was meestal chagrijnig, de ander optimistisch, weer een ander was vaak heel nuchter, en er was een klager die nooit iets anders deed dan klagen. Je wist dus bij iedereen wel precies waar je aan toe was. Voorspelbaarheid troef.’
Ik: ‘Nou ja, voorspelbaar, het klinkt eerder nogal gewelddadig.’
Zij: ‘Dat geweld, zoals jij het noemt, dat vond men compleet normaal. En normaal, dáár ging het om. Dus zelfs als ‘normaal’ betekende dat het emotioneel gewelddadig was.’
‘Hoe leefde je daarmee?’ vraag ik.
‘Niet,’ antwoordt ze, ‘ik was halfdood, maar dat viel niemand op.’
Ik: ‘Misschien was iedereen wel halfdood, maar aangezien halfdood en halflevend bij jullie als normaal leven werden gezien, werd dat dus goedgekeurd.’

Ze knikt, neemt de laatste minder warme slok en denkt na. Ze lijkt even weg te zijn, even helemaal in zichzelf, en komt dan terug.

‘Ik voel me tegenwoordig altijd alles. Er is nooit een emotie die er niet is. Als ik blij ben zit er middenin mijn blijdschap verdriet, en ook pijn. Het ligt vlak naast elkaar of nog preciezer: alle emoties zitten in elkaar verweven. Herken je dat?’
‘Jazeker, en ik heb ooit ontdekt waar de kern van die emoties in mijn lichaam zit. Ongeveer een decimeter onder mijn navel. Dáár begint mijn huilen en lachen. Trouwens, ook plassen en klaarkomen beginnen daar. Het is één plek waar echt alles zit en waar alles uitstroomt.’
‘Juist,’ zegt ze, ‘dit bedoel ik. Wat fijn dat een man dit snapt. Het is wonderlijk dat die ene plek alles bevat, terwijl de uitingen van die plek zo verschillend zijn.’
Ik: ‘Ja, eigenlijk is er innerlijk geen verschil tussen huilen, lachen en klaarkomen, maar gelukkig uiterlijk wel. Anders zou het een verwarrend zooitje worden om ons heen, nietwaar?’

Ze lacht nu zó hard dat een paar klanten verstoord opkijken.

Nog nahikkend buigt ze zich voorover, alsof ze een geheim wil delen, en fluistert me toe: ‘Zou verstoord kijken ook in die plek zitten?’
Ik: ‘Volgens mij kwamen ze net klaar, maar hadden ze het niet door.’

Dan stikt ze.

En nog nooit heb ik een vrouw zó levend en zó hard zien huilen van de lach.

Wát een plek!
En wát een knus café
!

Plaats een reactie