Als hij aan komt rijden, slaat de motor plotseling af. Hij opent de klep, kijkt aandachtig naar binnen en maakt snelle bewegingen. Daarna start hij de motor die meteen zonnig begint te ronken.
Hij stapt uit en begint achter in de tuin in de ruwe grond te spitten. Hij kruipt in het gegraven gat, pakt een kapot stuk pijp, last het aan elkaar en stopt het terug in de aarde. Dan metselt hij een muurtje, legt een dak en bouwt een schuurtje.
Ik wenk hem binnen voor de koffie.
‘Jij kunt alles, hè! Heb je hiervoor doorgeleerd?’
Hij: ‘Ik ging op mijn 15e van school en ben toen gaan werken. De school wilde me niet meer hebben. Dat is nu ruim tien jaar geleden.’
– ‘Je baas zal blij met je zijn.’
– ‘Niet altijd. Ik moet samenwerken met buitenlanders en die moet ik niet.’
– ‘Ben je getrouwd?’
– ‘Ik heb een paar jaar samengewoond met mijn vriendin, maar die heeft me belazerd.
Ze barst van de schulden en ze vertelde me er niks over. Nu ben ik op straat gezet en woon ik weer bij mijn moeder.’
– ‘Wat vreselijk! Maar gelukkig ben je gezond.’
– ‘Ik heb twee keer een ongeluk gehad. Bij het eerste ongeluk gingen mijn knieën kapot en bij het tweede mijn rug.’
– ‘Heb je nog wel eens zin om je school af te maken?’
– ‘Ik ga nooit meer naar school. Ik ben er zeven jaar lang gepest en dat hoef ik nooit meer mee te maken.
– ‘Werk je veel?’
– ‘Zeven dagen per week.’
Hij staart even voor zich uit.
Dan kijkt hij vlak langs me heen en zegt:
‘Hard werken in mijn eentje is het mooiste dat bestaat.’